III. De achtergrond (1): het contrast tussen vroeger en nu

In de zomer van 2025, tijdens mijn studieverlof, ben ik op zoek gegaan naar wie we zijn als christenen in de Nederlandse Gereformeerde kerken. Die zoektocht kwam voort uit een heel persoonlijke vraag: wie ben ik eigenlijk, in deze kerk, in deze samenleving? Ik vroeg me af wie wij als gemeenteleden voor elkaar zijn, wat ons bindt, maar ook wat ons soms uit elkaar drijft. Wat is nu typisch Nederlands Gereformeerd aan ons? Tegelijkertijd vroeg ik me af: welke invloeden spelen er eigenlijk onder ons? Waar liggen onze sterke punten, en waarin zijn we juist kwetsbaar? Het zijn grote vragen die in vijf weken natuurlijk onmogelijk te beantwoorden zijn. Toch hoop ik in deze periode een aantal aanzetten te kunnen ontwaren, die een scherper beeld geven van onze identiteit als christenen in de Nederlandse Gereformeerde kerken– en misschien ook van mijzelf.

Ik wil beginnen met mijn eigen ervaring van het kerkelijke klimaat dat op de achtergrond meespeelt. Wat stuurde destijds mijn beleving van bijv. het avondmaal en breder: mijn beleving van mijn plaats in het geheel van de gemeente en de kerk?

Het is allereerst goed om op te merken dat in de jaren 70 van de vorige eeuw het geheel van de kerk in mijn beleving kwam vóór ‘wat ik ervan vond’.
Er was een kerk, die werd in onze gemeente beleefd als vaststaand, georganiseerd rondom bepaalde gedachtengangen die algemeen instemming kregen en rondom bepaalde regels die algemeen gevolgd werden. In mijn beleving was er sprake van grote eensgezindheid.
Dat had ook te maken met mijn positie in het leven toen. Ik was een kind en moest nog volwassen worden. Daarbij was niet van belang wat ik er zelf van dacht, maar zoals het hoorde te zijn volgens de volwassenen. Dat was toen het opvoedingsklimaat en voor mij het uitgangspunt van het denken en beleven.

Ik leefde ook in een wereld die vrijwel helemaal rond het kerkgenootschap, waarbij wij toen hoorden, was gegroepeerd. De school waarop ik zat, ging uit van een schoolvereniging die exclusief uit leden van ons kerkgenootschap bestond, de docenten op school waren ook allemaal lid van dat kerkgenootschap evenals de leerlingen op school. Bij hoge uitzondering werd daarvan afgeweken. Mijn leven speelde zich daarom ook door de week af binnen het kerkgenootschap. Op school kregen wij als het om het geloof en de kerk ging, dezelfde boodschap -misschien een nog wel wat strengere opvatting ervan mee, als thuis en in de kerk. Later toen we het middelbaar onderwijs bezochten, werd dat nog sterker. Ook toen ging ik naar een school die uitging van ons kerkgenootschap met dus dezelfde uitgangspunten, als het ging om het bestuur, de docenten en de leerlingen. Maar daar kwam nu ook de catechese bij, de lessen die door de dominee van onze kerk werden gegeven als geloofsopvoeding aan de jongeren van onze kerk. Iedereen moest toen naar de catechisatie, zoals dat toen heette. Je moest eenvoudig van je ouders en dat werd ook in de gemeente van ons en van hen verwacht. Catechisatie kwam vóór al je andere verplichtingen: huiswerk, sport of muzieklessen e.d.
Je zou kunnen zeggen, dat er voor ons niet echt een alternatief was. Onze wereld was exclusief vrijgemaakt en een andere keuze werd ons niet aangeboden. En die was er dan ook niet, denk ik, in onze beleving. Tenminste, eerst niet.

Dat klimaat van grote eensgezindheid, speelde ook op het niveau van de volwassenen een rol. Of dit allemaal ook persoonlijk zo beleefd werd, is de vraag, maar het deed zich, naar buiten toe, wel zo voor. Sowieso was het kerkelijke gesprek zo georganiseerd dat er enkele landelijke smaakmakers en opinieleiders waren die zoveel invloed hadden dat hun standpunt in allerlei kwesties al snel hét standpunt binnen het hele kerkgenootschap was. Zij werden daarbij geholpen door hun eigen media: er was een dagblad dat door de meeste gezinnen gelezen werd, naast enkele kerkelijke bladen die ook als wenselijk werden beschouwd voor de leden van ons kerkgenootschap. We hadden een ’eigen’ politieke partij en allerlei ‘eigen’ maatschappelijke organisaties die gerund werden door leden van het ‘eigen’ kerkgenootschap. De kerk van mijn jeugd was vrijwel in alle opzichten een zelfstandige zuil in Nederland.

Leven in een zuil maakte dat ik een andere jeugd had dan veel andere jongeren in ons land -en zelfs dan die in ons dorp- toentertijd. Ik ging bijv. naar een streekschool in een naburig dorp en niet naar de dorpsschool. We leefden als het ware in onze eigen bubbel en wat daarbuiten gebeurde had niet zoveel invloed op ons (dachten we), tenminste maar matig. De opkomst van een massamedium als de TV zorgde wel voor nieuwe en andere invloeden.

In de kerk van mijn jeugd was de verwachting vanzelfsprekend dat de kerkleden de standpunten die landelijk waren ingenomen over allerlei kwesties in het geloof en in de kerk, zouden overnemen. Van de jongere leden van de kerk werd verwacht dat zij naar deze, algemeen geaccepteerde, opvattingen zouden toegroeien. Dat was de normale gang van zaken.
Er was een sterk ‘wij-zij’ gevoel. En dat betekende toch wel dat er met een zeker wantrouwen naar de ’buitenwereld’ werd gekeken. Zelfs buitengewoon vijandig naar sommige andere kerkgenootschappen. Achteraf gezegd had dat had vaak te maken met ervaringen uit het verleden. Contacten en vriendschappen, laat staan liefdesrelaties buiten de eigen kring, werden niet aangemoedigd, ja zelfs afgekeurd. We leefden in een eigen wereld en zo hoorde het ook.
Natuurlijk lag het voor verschillende kerkleden, waaronder mijn ouders, allemaal wat genuanceerder. De soep wordt nu eenmaal niet altijd zo heet gegeten als ze wordt opgediend. Maar niet de nuance maar de norm bepaalde het kerkelijke klimaat.

In de jaren zestig voltrok zich een breuk binnen ons kerkgenootschap. Misschien wel juist op dit punt. Er waren namelijk kerkleden die zich niet zo exclusief wilden opstellen als het de praktijk was geworden binnen onze kerken. En toen zij dat en plein publiek tot een gesprekspunt proberen te maken, leidde dit uiteindelijk tot een breuk. Er ontstond een ander kerkgenootschap naast het onze en op welke wijze een jongere daar opgroeide kan ik niet uit ervaring zeggen. Maar ik denk dat binnen deze Nederlands Gereformeerde Kerk een wantrouwen tegen al te collectieve gedachtengangen en opvattingen was gegroeid. En dat heeft dan weer tot gevolg dat er waarschijnlijk een grotere variatie aan opvattingen was binnen deze afsplitsing van de vrijgemaakte stam.

En nu dan…?

Ja, en dan, hoe is het klimaat nu, vijftig jaar later, nadat de kerken opnieuw gefuseerd zijn? Wat hebben we achtergelaten in het verleden en wat nemen we mee naar de toekomst? Daar is m.i. niet zo bewust over nagedacht. Als ik nu om me heen kijk dan valt mij op dat een grote variatie aan opvattingen tegenwoordig gewoon is. Ook is er een en behoorlijke variatie in levenspraktijk te zien. Sommigen zijn van mening dat er een grasduincultuur gegroeid is. De meeste leden van onze geloofsgemeenschap oriënteren zich persoonlijk, zelfstandig op hun geloof. Ze kiezen daarbij voor diverse bronnen, net waar men een voorkeur voor heeft. Daarbij is de bijbel altijd nog wel centraal, maar niet meer zo bekend als eerder. Belijdenisgeschriften spelen in de afwegingen. in mijn ervaring athans, geen grote rol.
Ja en dan zijn de bronnen veelvuldig. Als ik alleen al naar onze gemeenschap kijk, dan zijn er mensen die zich bijvoorbeeld laten inspireren door de charismatische beweging New Wine. Binnen die beweging is er een sterke nadruk op het werk van de Geest, volgens de interpretatie van New Wine: dat wil zeggen een sterke nadruk op het ministry-gebed (dat is een profetische vorm van gebed), en allerlei andere bijzondere geestelijke gaven als tongentaal en de gave van genezing bijvoorbeeld. Die opvattingen worden met een grote vanzelfsprekendheid de gemeente binnengebracht en daar gepraktiseerd.
Verder is er wat betreft de kerkelijke muziek een groeiende aandacht voor eigentijdse worshipmuziek. Die op aanbidding gerichte muziek (een heel andere vorm van eredienst) komt nu naast de andere, vaak oudere vormen, van eredienst voor.
De psalmen van Genève en de liederen uit het Liedboek spelen daar weer een grotere rol. De inkeer en verstilling uit die liedcultuur schuurt aan tegen- en botst soms met- de veel uitbundiger aanbiddingsmuziek, die op geloofsexpressie is gericht. Een botsing van liedculturen die zich voortdurend voordoet in onze gemeenschap en regelmatig aanleiding is voor een stevige discussies.
Voor beide is wat te zeggen, maar wat mij vaak opvalt is dat ook deze variatie zich nu vaak op het praktische vlak voordoet, zonder dat de achtergrond hiervan bewust besproken of verwerkt wordt.

Verder denk ik dat er veel meer invloed is van vanuit de massamedia en ook via de sociale media. Die invloed is er sowieso en ook heel breed van karakter. Wat er in het medialandschap speelt, is ook van invloed op wat er binnen onze kerken speelt.
Eén van de omroepen die een sterke invloed heeft gekregen binnen onze kerken is de EO (Evangelische Omroep). Wat er daar speelt, speelt ook al gauw binnen onze kerkgenootschap. En dan zijn er allerlei apps afkomstig uit vele christelijke achtergronden, via welke kerkleden zich laten informeren.

Bovendien is er nu het nieuwe kerkgenootschap: de Nederlandse Gereformeerde Kerken, de fusiekerk. In hoeverre wat daar landelijk speelt -op het niveau van het kerkverband- nog plaatselijk invloed heeft valt te bezien. Hier en daar zal dat wel zo zijn. Maar feit is ook dat wat er landelijk speelt, plaatselijk veel minder invloed heeft dan vijftig jaar geleden; alleen al omdat men de ontwikkelingen daar niet meer zo volgt. Niet exclusief althans. Als het al bekend is wat er landelijk speelt, is het één van de standpunten geworden waaruit een gemeente(lid) kan kiezen.

Als ik kijk naar het onderwijs aan de kinderen van onze gemeente, dan is daar ook een grote variatie in te zien. Over het algemeen gaan de kinderen naar christelijke scholen, maar wel naar algemeen christelijke scholen, d.w.z. niet exclusief gebonden aan een bepaald kerkgenootschap. In ons geval zijn dat ook verschillende scholen, afhankelijk van de plaats waar ze staan. We zijn nl. een streekgemeente en onze leerlingen bezoeken ook scholen uit de hele streek. Zoals wij vroeger, dezelfde scholen deelden en elkaar ook van die scholen kenden -zelfs regionaal- is dat nu meestal niet meer het geval.

De catechisatie bestaat niet meer bij ons, die is vervangen door clubs, vooral geleid door gemeenteleden waaronder de dominee. Het bezoeken van clubs is gewenst, maar toch een eigen keuze. Anders dan vroeger ziet men dit meer als een service die de kerkelijke gemeente biedt en waar men gebruik van kan maken. Een deel van onze jongeren neemt, hoewel ze uitgenodigd zijn, niet deel aan de clubs.

Als ik dit allemaal samenvat, leven we nu in een gemeenschap waarin sterk gevarieerde opvattingen leven over christen zijn. Ook over hoe we kerk zijn, of zouden moeten zijn. En over hoe de kerkdiensten beleefd worden en gewenst zijn. Kortom, het wordt soms een vraag wat wij eigenlijk gemeenschappelijk hebben? En nu de invloed van Bijbelstudie afgenomen is, is het de vraag of we elkaar nog kunnen vinden op veel terreinen in ons geloven. Ik heb de indruk dat het in het algemeen minder om geloofsopvattingen (daarmee bedoel ik geloofsinhouden) is gaan draaien en meer om persoonlijke sympathieën. De redenen om lid te zijn van een bepaalde kerk of een bepaalde gemeente, lijken tegenwoordig ook meer te maken te hebben met persoonlijke voorkeur en het klimaat binnen een gemeente dan met de inhoud van de boodschap.
Dat maakt een gemeente tot een veelkleurig gezelschap. Zeker als men in overweging neemt, dat verhuizen van het ene kerkgenootschap naar het andere een stuk gebruikelijker is geworden. In onze gemeente komen kerkleden overal vandaan kun je wel zeggen en vertrekken ze ook weer overal naartoe. Of nergens heen, die trend wordt helaas ook bij ons zichtbaar, zeker na de Corona-periode.
In vergelijking met eerder is het beeld totaal veranderd en wordt het een vraag hoe wij inhoud kunnen geven aan wat ons gemeenschappelijk bindt. We zullen allemaal zeggen dat Jezus Christus centraal staat in ons geloven, maar wat we daar mee bedoelen ligt veel gevarieerder, verwacht ik.

De vraag is: hoe kun wij ons hiervan op een vruchtbare wijze van bewustworden en over in gesprek komen?

Geplaatst in Identiteit vd NGK | Een reactie plaatsen

De Uitnodiging

Wat is de leukste, spannendste en mooiste uitnodiging die je ooit gehad hebt?
Of welke uitnodiging zou je wel heel graag willen krijgen?
Misschien wel voor het feest van een bepaalde vriendengroep, of om te spelen als belofte voor de toekomst bij één van de eredivisie clubs of dat je wordt uitgenodigd om mee te spelen in een bepaalde muziekgroep of om mee te doen in een bekend dansensemble.
Natuurlijk was de uitnodiging van je opa en oma voor hun grote feest ook ontzettend leuk.

Maar als je moet kiezen, wat is dan de leukste, dus spannendste of de mooiste uitnodiging die je ooit gehad hebt?
Ik kan je vertellen: die uitnodiging heb je al gekregen. Misschien begrijp je nu al welke ik bedoel. Anders zal ik je het zondag wel vertellen. En ook waarom die uitnodiging nou juist leukste, spannendste en mooiste is.
Mooier dan al die andere?
Ja, mooier dan al die andere.

Tot zondag.

Hieronder de preek zoals die deze zondag is gehouden:

Het idee voor de titel boven deze preek heb ik uit het boek ‘De Uitnodiging’ van W. Paul Young dat in Nederland in 2008 verscheen. Een boek dat gaat over God, de Drie-ene, en dat zeer tot de verbeelding spreekt. Het leest als een triller, het heeft vele mooie scenes, maar er zit ook een idee achter waar ik meer moeite mee heb. Ik heb in 2009 een recensie van het boek geschreven, die je hieronder kunt lezen.

Geplaatst in Preken | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Weten wie we zijn (Dan. 1, 1-21)

Vroeger (nou ja, vijftig jaar geleden) liepen we in ons dorp breeduit naast elkaar over straat naar de kerk. Dat was geen probleem, want op dat moment reed daar vrijwel geen verkeer. Het was immer zondag.
Nu rijd je met je auto een parkeerterrein op bij de plaatselijke Albert Heijn, om daar je auto neer te zetten tussen die van het winkelpubliek, om vervolgens tussen de auto’s door naar het daarnaast gelegen kerkgebouw te lopen. Beiden zijn open op zondag.
Het is een wereld van verschil met 50 jaar geleden.
En het zegt veel over de samenleving waar we nu in leven. Soms lijkt het wel alsof we niet alleen in een andere tijd, maar zelfs in een ander land leven dan eerder.
Heeft dat ons geloof veranderd? En zo ja, hoe dan?
We wisten wie we waren in het Nederland van 50 jaar geleden (of niet?), weten we ook wie we zijn in het Nederland van nu?

Je kunt je afvragen of dit een heel nieuw situatie is. Het is wel eerder voorgekomen dat gelovigen ervaren dat hun omgeving radicaal verandert ten opzicht van eerder. Hoe ging zij met hun geloof om in die situatie? We lezen deze zondag Daniel 1 als voorbeeld van een culturele aardverschuiving.

De dienst is op de camping De Banken in Zeewolde en begint om 10:00 uur. Ik hoop jullie daar te ontmoeten. (Vergeet niet je eigen stoel mee te nemen)

Zie hieronder de hele preek

Geplaatst in Preken | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Blijf bij Mij

Deze tekst geeft me al heel lang een wat dubbel gevoel.
Aan de ene kant is er dat mooie beeld van de wijnstok en de ranken.
Hoe had Jezus beter duidelijk kunnen maken wat Hij bedoelt met je leven.
Wat een sprekend beeld! Verbonden aan de Heer Jezus ben je bestemd tot een vruchtbaar leven.

Maar dan die andere kant: oh wee, stel je voor dat je tegenvalt.
Dan ben je waardeloos en wordt je weggedaan. Zo heb je heel wat te vrezen.
Draag vrucht, dat is immers het doel in dit gedeelte.
Maar dan als je geen vrucht draagt is er de dreiging van het weggesneden worden.
Losgesneden worden van Jezus, wat vreselijk.
Maar als je dan wel vrucht gaat dragen, dan is er nog dat steeds dat mes.
Het snoeimes dat snijdt in je leven zodat er nog meer vrucht komt.
Dat is demotiverend. Immers, het mes komt sowieso je leven binnen.
En daar heb ik altijd tegenop gezien: immers waar zal de Heer in je leven gaan snijden?
Liever doe je dan maar niets, ja maar dan wordt je weer los gesneden.
Je raakt verward in dit beeld dat je in de ziel snijdt, hoe dan ook!
En stel je voor dat je los raakt van je Heer!
Een losse rank die langzamerhand wegkwijnt, totdat er nauwelijks nog leven in zit.
Waardeloos geworden word je de wijngaard uitgegooid naar de plek waar je verbrand wordt samen met alle anderen, onbruikbare, bijna dode ranken.
Uiteindelijk ga je dan in rook op.
Nee, deze gelijkenis riep in mij altijd een dubbel gevoel wakker.
De dreiging van het mes werkt verlammend op mijn motivatie.
Ik vraag me af: hoe heeft dit beeld de discipelen van de Heer Jezus zo vlak voor het afscheid, ooit kunnen motiveren? Waar zit de troost in deze tekst?

Geplaatst in Preken | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Had Hij niet…?

We beginnen dit seizoen met een korte serie uit Bible Basics.
Overkoepelend thema is de relatie tussen Jezus en de gelovigen.
Het evangelie van Johannes is het uitgangspunt van deze vraag.
Zondag komt Jezus’ relatie met zijn vrienden Martha, Maria en Lazarus aan de orde.

Deze geschiedenis staat in Johannes 11.
Wij houden ons vooral bezig met de versen 17 tot en met 37
Daar wordt beschreven hoe Martha en Maria op het sterven van Lazarus reageren.
Maar vooral hoe ze op de late komst van de heer Jezus reageren.
Want ze hadden hem nog wel een boodschap gestuurd,
Toen Lazarus ziek werd.
Maar daar had hij eerst helemaal niet op gereageerd.
Pas vier dagen (!) na de dood van Lazarus komt hij in de buurt van hun dorpje aan.
Jezus, die, weet wel, de vriend van hun familie van hun familie is.
En dat terwijl hij -hemelsbreed gezien- helemaal niet zo ver uit de buurt was!
Ze hadden dit niet van Hem verwacht.

Logisch dat de zussen vol met vragen zitten .
Ja, zelfs sommige wetsgetrouwen joden die op rouwbezoek zijn,
hebben zo hun vragen.
Had hij niet…?

Wat denk jij?
Had Hij niet…?
In welke reactie herken jij het meest?

Ik ben benieuwd!
Zondag hoop ik jullie te zien en dan hoop ik het ook van jullie te horen
Tot dan!

De preek zoals die afgelopen zonag gehouden is:

Geplaatst in Preken | Een reactie plaatsen

II. Contrast: wie we waren en wie nu zijn! Een kleine biografie.

In de zomer van 2025, tijdens mijn studieverlof, ben ik op zoek gegaan naar wie we zijn als christenen in de Nederlandse Gereformeerde kerken Die zoektocht kwam voort uit een heel persoonlijke vraag: wie ben ik eigenlijk, in deze kerk, in deze samenleving? Ik vroeg me af wie wij als gemeenteleden voor elkaar zijn, wat ons bindt, maar ook wat ons soms uit elkaar drijft. Wat is nu typisch Nederlands Gereformeerd aan ons? Tegelijkertijd vroeg ik me af: welke invloeden spelen er eigenlijk onder ons? Waar liggen onze sterke punten, en waarin zijn we juist kwetsbaar? Het zijn grote vragen die in vijf weken natuurlijk onmogelijk te beantwoorden zijn. Toch hoop ik in deze periode een aantal aanzetten te kunnen ontwaren, die een scherper beeld geven van onze identiteit als christenen in de Nederlandse Gereformeerde kerken– en misschien ook van mijzelf.

Wie waren we eigenlijk ooit? Als ik als eens op mijn eerste indrukken afga, is er wel een groot verschil met eerder.

Toen ik nog naar de lagere school ging, was het avondmaal in onze kerkelijke gemeente, één van de leukere diensten voor mij als kind. In de andere kerkdiensten gebeurde van alles dat ik niet echt begreep. Met name de preken waren voor ons kinderen lang, ingewikkeld en onbegrijpelijk. Vaak droomden we maar wat weg tegen de schouder van mijn moeder. Toch speelde mijn geweten dan op: ik vond dat ik eigenlijk wél moest luisteren, maar het lukte me gewoon niet.

Een avondmaalsdienst duurde ook langer, maar er was wel van alles te zien en te beleven. De speciaal gedekte tafel vóór in de kerk, met daaroverheen een wit laken, dat wat daaronder lag toedekte. Dat gaf direct al een mysterieuze sfeer. Alsof er tijdens de dienst een cadeau uitgepakt moest worden.
En dan het uitdelen van de beker met wijn en het bord met brood. Iedereen bleef in onze gemeente in de banken op z’n plek zitten, dus werden brood en wijn in de rijen uitgedeeld door de ouderlingen, die voor deze gelegenheid speciaal in een soort jacquet gekleed waren. Zwarte jas, streepjesbroek en glimmend gepoetste zwarte schoenen. Zo zag je hen normaal nooit. Op het zeil van onze kerk zaal knarsten de glimmend gepoetste zwartleren schoenen bij iedere stap die zij zetten. Het was doodstil tijdens de viering.
Omdat wij helemaal achterin zaten, begon de ouderling nog al eens bij ons. Eerst hoorde je het geknerp van zijn schoenen langzaam dichterbij komen, en dan rook je de wijn en ook het brood al, voordat ze bij je bank aangekomen waren. Als kind mocht ik nog niet meedoen, maar al wel meehelpen. De ouderling gaf me plechtig de beker in m’n hand, zodat ik hem kon doorgeven aan mijn moeder. Ik kon even in de beker kijken en zag daar het donkerrode vocht, de wijn, die zo bijzonder rook. Dit herhaalde zich bij het bord met brood. De ouderling gaf het mij voorzichtig in m’n handen, zodat ik het door kon geven aan mijn moeder. Dan zag ik de stukjes brood, zoals ik nooit brood zag: witbrood, gesneden in lange repen (hoe deed de koster dat toch?) en daarna in ontzettend veel kleine stukjes gebroken.
De ernst van de ouderling, het plechtige van zijn kleding en gebaren, zijn glimmend gepoetste zwarte schoenen, de ernst waarmee mijn moeder op haar beurt de beker en het bord aanpakte en daaruit dronk en van het bijzondere gebroken brood een stukje at, het maakte allemaal diepe indruk op me. Als ik nu terugkijk, waren die avondmaalvieringen bijzondere, gewijde momenten. Ik voelde me een deelgenoot, en het maakte het verlangen in me wakker om -als ik groot was- ook eens van het brood te mogen eten en uit die beker te mogen drinken. Dat moest immers wel iets heel bijzonders zijn.

De avondmaalsdienst was vroeger een bijzondere dienst. Iedereen probeerde dan ook zoveel mogelijk in die dienst aanwezig te zijn. Je ging bij voorkeur niet op bezoek bij familie of bij vrienden op een avondmaalszondag. (Dat deed men in die tijd sowieso minder op zondag). Deze viering mocht je eigenlijk niet missen. Dat was een algemeen gevoel. Het was dan ook maar één keer in de drie maanden, dus als je er niet was moest je drie maanden wachten voordat je weer kon aangaan en zat er inmiddels een half jaar tussen de vieringen.
Ik moet zeggen dat dit ook zo wel door de kerkenraad werd gebracht. Als je in die tijd niet aanging aan het avondmaal, was de kans groot dat je erop aangesproken werd. In ieder geval werd van je verwacht dat je een geldige reden had, waarom je niet geweest was.

Als wij tegenwoordig het avondmaal vieren bij ons in de gemeente, ga ik er niet vanuit dat iedereen er is. Ik denk dat er maar weinig gemeenteleden zijn die om die reden niet op familiebezoek zouden gaan, zoals dat bij ons vroeger het gebruik was.
Ook denk ik niet dat het tegenwoordig als een heel bijzondere dienst wordt beleefd. Meestal niet door de kinderen en de jongeren, die het vooral een lánge dienst vinden. Want alles bij elkaar zit je toch al gauw een kwartier of 20 minuten langer in de dienst. De gemeenteleden en ook de leden van de kerkenraad zijn niet speciaal gekleed op dit avondmaal, ze dragen bijna allemaal de kleren die ze in andere diensten ook dragen.
In ons kerkverband is inmiddels al zeker tien jaar het gesprek gaande of de kinderen ook aan het avondmaal kunnen gaan. Ik merk aan sommige collega’s en ook aan sommige gemeenteleden, dat zij dit eigenlijk helemaal geen vraag vinden. Ze stellen: waarom gáán de kinderen bij ons nog niet aan het avondmaal? Kortom, waar wachten we op!
Ik ben inmiddels volwassen geworden, dat kleurt mijn beleving, maar het geheel is een stuk minder plechtig en gewijd dan ik het vroeger ervoer. Bij ons vieren de kinderen en jongeren nog niet mee, maar ik zie hoe sommige ouders stiekem toch een stukje brood naar één van hun kinderen smokkelen. Of ik hoor later dat ze thuis met de kinderen ook avondmaal gevierd hebben. De sfeer is echt anders. Minder heilig, minder gewijd, minder ontzagwekkend en meer vanzelfsprekend zoals ieder het voor zichzelf ziet.

Het is beslist niet zo dat iedereen in onze gemeente dit op dezelfde manier beleefd. Er zijn gemeenteleden die nog net zoals ik het vroeger beleefde omgaan met het avondmaal: als een plechtige, gewijde gebeurtenis. Ze vinden het ook niet zo nodig dat hun kinderen al meevieren. Dat komt later wel als ze belijdenis gedaan hebben. Dat is voor hen nog even vanzelfsprekend als het voor ons vroeger was.
Want dat was vanzelfsprekend, herinner ik me. Ik verwachtte ook niet dat het anders zou moeten. Want het gevoel dat ik had was dat ik moest opgroeien om zo volwassen te worden dat ik ook zou kunnen meevieren. Dat was toen heel gewoon: te wachten totdat je zover was. Net zoiets als autorijden, je moest ook eerst leren hoe dat moest en dan ook zelf leren rijden, voordat je achter het stuur mocht. Dat sprak vanzelf.

Die eensgezindheid, die er ooit was over zoiets als het avondmaal, is er niet langer. Over dit en over andere zaken hebben we als gemeenteleden verschillende meningen. En dat merk je zodra je het onderwerp ‘kinderen aan het avondmaal‘ aan de orde stelt: zoals gezegd, voor de één is het ‘waar wachten we nog op‘ en voor de andere is het: ‘voor mij hoeft het allemaal niet.’ Al gauw komt er een sfeer omheen te hangen van: we mogen het onze kinderen niet langer onthouden. Dat gevoel is tegenwoordig net zo sterk, als vroeger het tegengestelde standpunt: kinderen horen het avondmaal nog niet mee vieren.

Zie hier hoe een avondmaalsviering, tenminste de beleving ervan, in vijftig jaar tijd is veranderd. Is het tegenwoordig allemaal slechter? Nee hoor, nog steeds kan het een indrukwekkende viering zijn. Maar het is wel heel anders dan vroeger en als je mij zou vragen: ‘vind je het net zo goed als het vroeger?’ Dan aarzel ik om zomaar ‘ja’ te zeggen. Want we zijn niet zo eensgezind meer. Het lijkt wel of ieder zijn eigen beleving heeft, veel meer dan vroeger. En dat doet toch af aan de gezamenlijke avondmaalsviering.
Wat is er veranderd? Wat heeft ons veranderd? Ik kan een heleboel argumenten noemen, en ze snijden ook beslist wel hout en toch: hoe meer ik er over nadenk, steeds minder heb ik gevoel dat daarmee alles gezegd is. Wat speelt hier op de achtergrond een rol?

Geplaatst in Identiteit vd NGK | Een reactie plaatsen

Wie zijn wij, wie ben ik, in de kerk van vandaag?

In de zomer van 2025, tijdens mijn studieverlof, ben ik op zoek gegaan naar wie we zijn als christenen in de Nederlandse Gereformeerde kerken. Die zoektocht kwam voort uit een heel persoonlijke vraag: wie ben ik eigenlijk, in deze kerk, in deze samenleving? Ik vroeg me af wie wij als gemeenteleden voor elkaar zijn, wat ons bindt, maar ook wat ons soms uit elkaar drijft. Wat is nu typisch Nederlands Gereformeerd aan ons? Tegelijkertijd vroeg ik me af: welke invloeden spelen er eigenlijk onder ons? Waar liggen onze sterke punten, en waarin zijn we juist kwetsbaar? Het zijn grote vragen die in vijf weken natuurlijk onmogelijk te beantwoorden zijn. Toch hoop ik in deze periode een aantal aanzetten te kunnen ontwaren, die een scherper beeld geven van onze identiteit als christenen in de Nederlandse Gereformeerde kerken– en misschien ook van mijzelf.

I. De vraag

Een vraag die zich de afgelopen jaren meer en meer aan me voordoet is: wie zijn wij eigenlijk? Dat is niet alleen een persoonlijke vraag, maar ook een vraag aan de geloofsgemeenschap waar ik deel van uitmaak. Dat heeft iets met m’n leeftijd te maken, hoe ouder je bent, hoe meer verleden je tot je beschikking hebt om het huidige leven mee te vergelijken. Maar het heeft ook iets te maken met de indruk die ik heb, dat niet alle invloeden die impact op ons hebben, aan de oppervlakte komen.

Landelijk is dat zo. Ik hoor bij wat men tegenwoordig de Nederlandse Gereformeerde Kerken noemt. Recent voortgekomen uit een fusie van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en de Nederlands Gereformeerde Kerken. De beide kerkgenootschappen zijn in de afgelopen decennia behoorlijk van opvatting veranderd. Dat is een proces dat nu al een hele tijd gaande is. Daar zijn goede dingen over te zeggen, maar er blijven ook vragen over. Bijvoorbeeld: hoe kan het dat opvattingen, die men eerst te vuur en te zwaard verdedigde, in de loop van de jaren, toch redelijk abrupt losgelaten zijn en zelfs in het tegendeel daarvan veranderd, zonder dat het proces daarnaartoe echt goed zichtbaar is geworden?

Als men de ontwikkelingen op grotere afstand beschouwt en niet zo betrokken is bij alle gesprekken op de kerkelijke vergaderingen, kan een gevoel van vervreemding niet helemaal onderdrukt worden. Juist, omdat de kwesties waarom het ging, in voorgaande jaren zo fel verdedigd werden dat ze haast wel wezenlijk moesten zijn, verwacht je toch wel een verklaring, waarom dat dan nu niet meer zo is. Te denken valt -naast andere- aan de visie op de kerk, op de positie van de vrouw en die op homoseksualiteit. En dan gaat het niet zozeer over allerlei inhoudelijke redenen -die zijn wel genoemd- maar met name om het verschil in beoordeling tussen toen en nu. Wat is er veranderd dat we bepaalde argumenten nu wel als belangrijk zien.
De verandering in visie op deze en andere gebieden veroorzaakt bij een deel van de leden van deze kerken ook onrust. Sommigen hebben deze kerken om deze reden zelfs verlaten.

Wat zich op landelijk niveau afspeelt, is ook zichtbaar op het niveau van de plaatselijke gemeente. Opvattingen die eerst algemeen gedeeld werden, zijn nu losgelaten en worden -vooral in de praktijk- vervangen door andere. Een voorbeeld daarvan is de omgang van met seksualiteit. Terwijl het eerder gangbaar was om te wachten met een seksuele relatie tot het huwelijk, is samenwonen voor het huwelijk een bijna algemene praktijk geworden. De nieuwe praktijk is niet de uitkomst van een interne bezinning op onze omgang met seksualiteit. Het is m.n. een verandering in de praktijk van christen-zijn. Toch zit deze verandering dieper dan alleen maar de praktijk. Want het is zelfs zo dat er in de christelijke pers en via andere kanalen met een zeker onbegrip naar de opvattingen van ‘vroeger’ wordt gekeken. En weer treft het me dat dit geen geleidelijk proces van verandering is, waaraan een duidelijke afweging van inzichten vooraf is gegaan, maar een redelijk abrupte verandering in de praktijk die zich in een decennium of twee voltrekt, zonder dat helemaal duidelijk wordt waarom. In feite verandert de praktijk en de gemeente past zich daaraan aan.

Hoe snel veranderingen kunnen gaan, werd nog eens duidelijk in de periode van de lockdown tijdens de Coronacrisis. Teruggeworpen op zichzelf, zijn veel gelovige christenen van opvatting veranderd. Dat is op allerlei terreinen het geval. Betekent dit nu dat geloofsovertuigingen en visies op het leven niet zo diep geworteld waren als men zou denken? Of is de samenleving zo veranderd dat er heel nieuwe invloeden zijn die veel overtuigender zijn dan voorheen? Of nog weer anders: is onze samenleving in haar geheel zo veranderd dat we ons opnieuw op eerder ingenomen posities moeten bezinnen? Maar doen we dat dan ook? Bezinnen, bedoel ik. Of zijn een heel stel veranderingen in onze levensstijl redelijk onbezonnen.

De ontwikkeling van deze veranderde standpunten is niet geleidelijk gegaan maar sprongsgewijze. Je zou zelfs kunnen zeggen dat er sprake is van een generatieconflict binnen de kerkelijke gemeenten. Of het nu gaat om de kerkelijke muziek, of om allerlei ethische standpunten, kerkleden zijn er niet zelden over verdeeld en die grenslijnen lopen nogal eens via de verschillende generaties in de gemeente. Maar wat is dan de eigenlijke invloed die deze sterke verandering stuurt?

De vraag komt terug: wie zijn we eigenlijk en wat of wie bepaalt wie we zijn? Welke invloeden spelen een rol in de vorming van onze identiteit? Is het nu zo dat we in vertrouwen de ingeving van de Heilige Geest volgen en aan de hand van onze Heer Jezus Christus door het leven gaan; dat we voor alles Zijn invloed ondergaan in onze overwegingen? Of hebben andere invloeden de laatste decennia een grotere impact op ons gekregen? En welke zijn dat dan eigenlijk? En welke impact is dat? Of waren er invloeden die ons destijds in stevig in de greep hielden? En werd het hoog tijd om die invloeden ongedaan te maken? Wat of wie maakt dat we zijn wie we zijn?

Welke factoren zijn van invloed op de vorming van onze christelijke identiteit? En hoe kunnen we met slechts enkele generaties verschil tot zulke verschillende inzichten komen? Het is mijn doel daar meer duidelijkheid in te krijgen. In de hoop dat een beter begrip van deze ontwikkeling me meer vertrouwen geeft in die ontwikkelingen. Want nu raak ik het spoor soms kwijt.

Het boek van collega predikant Marinus Beute, Wie ben ik als ik preek?, heeft me bij de formulering van het probleem geholpen en het zoeken naar antwoorden geholpen. Hij vraagt zich af welke bronnen invloed hebben op het zelfbeeld van een voorganger als prediker. Wat zou een verbinding met het zelfbeeld van de apostel Paulus -die immers ook preekte – doen met het zelfbeeld van een eigentijdse prediker?
Zijn er culturele ontwikkelingen op van invloed? En zo ja, welke? Hij verwijst daarvoor naar het boek van de filosoof Charles Taylor, De bronnen van het zelf. Die beschrijft daarin de ontstaansgeschiedenis van het moderne zelf.
Via dit boek probeer ik ook meer inzicht te krijgen in wie wij tegenwoordig zijn. Of beter; hoe we zo geworden zijn. Wij, daarmee bedoel ik de gelovige kerkmensen in de Nederlandse Gereformeerde Kerken. Dat is nog een veel bredere vraag dan die Beute aan de orde stelde. Ik verwacht dan in deze korte periode -vijf weken- hier ook niet het antwoord op te kunnen geven. Maar ik hoop wel enkele helpende inzichten te kunnen vinden. Al zou alleen de vraag maar helderder worden.
Naast Taylor, gebruik ik een boek van de filosoof Larry Siedentop, De uitvinding van het individu. Dat geeft meer een historische beschrijving van de ontwikkeling van het individu tot in onze huidige eeuw.
Het is mijn verwachting dat deze beide boeken onze vragen van verschillende kanten in het licht zetten..

Terug naar het onderwerp: wie zijn wij, Nederlandse Gereformeerden, in de 21e eeuw? Waar komen we vandaan en wie zijn we geworden?

Geplaatst in Identiteit vd NGK | Een reactie plaatsen

Betrouwbare Bondgenoot (Rom.8, 31-39)

Sinds de inauguratie van president Trump is er veel te doen over de betrouwbaarheid van bondgenoten. Het is al maanden sindsdien, maar ik sta er nog steeds van te kijken hoe het beeld voor ons veranderd is.
De Verenigde Staten zijn van een bevriende natie verandert in een onverschillige natie.
Onverschillig als het gaat om de dreiging van onze vijanden; onverschillig als het gaat het recht van een land; en onverschillig als het gaat om eerlijkheid.
Europese politici en zij niet alleen, reageren nog steeds met ongeloof. Alsof ze niet kunnen bevatten dat dit echt waar is. Maar het lijkt erop dat deze boze droom voorlopig nog niet voorbij is.

Voor mensen van mijn leeftijd is dit een hele verandering.
Natuurlijk kun je zo je vragen hebben bij de VS, maar toch: ik ben opgegroeid met Winnetou en Old Shatterhand, met de Amerikanen als ‘onze bevrijders’, met het Apollo programma en de landing op de maan in de zestiger jaren. Onze cultuur is doordrenkt met Amerikaanse series en films en ook met Amerikaanse technische vorderingen en ook de producten van Amerikaanse christenen zijn toonaangevend geworden onder ons christenen.
Hoewel sommigen dit al langer zagen aankomen, leef ik nog midden in de schok om het verlies van onze betrouwbare bondgenoot. Nooit gedacht dat de aanblik van de VS zo grondig zou veranderen.

Dit raakt aan heel iets fundamenteels in onze levens. Ons gevoel van zekerheid en veiligheid.
Als we veilig en zeker zijn, weten we niet beter. Maar zodra we dat kwijtraken, verliezen we ineens de grond onder onze voeten.
We kennen dat gevoel allemaal wel denk ik.
Soms veroorzaakt door iets dat in principe voorbijgaand is: het plotselinge verlies van je inkomen bijvoorbeeld. Maar soms ook door onherstelbare verliezen, zoals het sterven van dierbare familie.
Dat kan er zo diep inhakken dat je nog heel lang onzeker bent en je fundamenteel onveilig voelt. Als dit kan, wat kan er dan nog meer gebeuren?

Je kunt zelfs gaan twijfelen aan de betrouwbaarheid van de Heer.
Al had je het Hem gebeden, Hij heeft het niet voorkomen.

Zondag vertrouwen Daan en Deidre zich toe aan de Heer God.
Dat is een uiting van vertrouwen. Ze vertrouwen ook hun Donna aan Hem toe.
Deze zondag is de boodschap dat dit vertrouwen geheel terecht is. Toch betekent dat iets anders dan veiligheid en zekerheid op korte termijn.

Ik hoop jullie zondag te ontmoeten.

Geplaatst in Preken | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

‘Gods ladder’ (Rom. 8, 28-30)

Vorige week in de grote Pinkstersamenkomst in Ermelo,
zei iemand dat je de Geest niet ziet, maar wel merkt wat Hij doet.
Zoals je de bladeren aan de boom ziet bewegen door de wind.
’s Avonds was ik bij een toneelstuk in de Bethelkerk in Harderwijk.
Het ging over een familie-erfenis en de ruzie die je daarom kunt krijgen.
Het liep uiteindelijk allemaal goed af.
De familieleden verzoenden zich.
Steeds als er een stapje in de goede richting werd gezet,
hoorde je eerst het geluid van de wind.
Dat was de invloed van de Geest.
Zo was de Geest aanwezig in dit familiegebeuren.

Hoe merk je de invloed van de Geest op in je eigen leven?
Inderdaad, je hebt van die momenten waar je die vermoed.
Een bijbeltekst die je bijzonder raakt of een lied waardoor je de rillingen over je rug lopen (positief bedoeld).
Iedereen die hier meeleest zal zo wel eigen ervaringen kunnen noemen, waar je een verhaal over zou kunnen vertellen.
Maar blijft het bij anekdotes over de invloed van de Geest,
of heeft de Geest ook structureel invloed in onze levens?

Beiden, denk ik.
En ook dat al die anekdotes samen een levensverhaal vormen.
De Geest is heel vasthoudend met ons gelovigen onderweg.
Op den duur is dat een heel groot deel van je levensverhaal.

In het geloofsleven van Julia en Mirthe is dat vast te merken.
Misschien kunnen ze bijzondere verhalen vertellen.
Maar het kan ook zomaar zijn dat het één verhaal is over hoe de Geest altijd wel aanwezig is in je leven.
Zoals je in bepaalde muziekstukken steeds dezelfde grondtoon onder alles hoort. Je raakt er zo aan gewend dat het je op den duur niet eens meer opvalt.

Deze zondag doen Mirte en Julia belijdenis van hun geloof.
Dat is een feest voor ons als gemeente.
In ons midden groot geworden, is hun geloof volwassen geworden.
Mooi.
Ik ben benieuwd naar hun verhalen.

In de bijbel ben ik op zoek gegaan naar het structurele verhaal van de Geest in ons leven.
En zo kwam ik uit bij Romeinen 8.
Hoewel de invloed van de Geest daar niet te onderscheiden is van die van de Vader en de Zoon.
Ik heb het ‘Gods ladder’ genoemd.
Hoe ik daaraan kom, leg ik zondag wel uit.
Ik hoop jullie dan te ontmoeten.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Vrede uit Jeruzalem (Jesaja 2)

Ik heb altijd een bijzondere band met het volk Israël gehad.
Bijbelverhalen die ik van kinds af aan ken, speelden zich in hun midden af.
Onze Verlosser komt uit hen voort.
Ontroerd was ik toen in 1998 voor het eerst het land met eigen ogen zag;
de woonplaatsen uit de verhalen op de borden zag staan en over het meer van Galilea naar de overkant keek.

De afschuwelijk moord op de meer dan 100.000 Joodse Nederlanders roept in mij schaamte naar boven. Hadden ‘wij’ niet veel meer moeten doen, moeten durven? Voor de generatie van na de oorlog is het gemakkelijk praten, besef ik.

Een bezoek aan het land Israël – ik ben er vier keer geweest- heeft ook altijd iets dubbels: naast de ontroering is er de vervreemding.
De ‘Heilige Plaatsen’ en het “Heilige Land’ zijn een trekpleister voor pelgrims, waaraan men zoveel mogelijk geld probeert te verdienen. Heilige plaatsen worden er te gelde gemaakt. Voor veel Israëli’s en Arabieren ben je een wandelende portefeuille waaraan men flink kan verdienen. Soms wordt je die jacht op je geld zat.

Bij de laatste bezoeken viel het me op hoe negatief onze Israëlische gids – een oud-tankcommandant- over de Palestijnen en Arabieren sprak. Hij noemde ze bijna allemaa:l ’terroristen’ en had geen enkele waardering voor hen. Des te meer voor ‘Bibi Netanyahu’.
Een beetje voorstelbaar is het wel: via hem zagen we de plaatsen en ontmoetten we mensen die onder aanslagen hadden geleden.
Maar toch, zijn afkeer riep bij ons toch een gevoel van vervreemding op, vooral omdat hij zo generaliseerde.
Met dezelfde vervreemding keek ik naar nieuwsvideo’s waarin aanslagplegers in Jeruzalem die al uitgeschakeld waren, voor het oog van de camera’s bijna achteloos werden geëxecuteerd met een genadeschot. Het deed me aan de beelden uit Schindlers List denken.

Maar naast de vervreemding bleef ik altijd de verwantschap voelen.
De laatste jaren sijpelden er langzamerhand andere verhalen en gevoelens in deze relatie naar binnen.
Een gesprek in 2012 in Bethlehem (Palestijns gebied) met het zicht op een nieuwe kolonistenwijk omringd door hekken en bewakingstorens. De Palestijnse gids geeft me, als ik het hem vraag, geen commentaar, maar haalt met een veelzeggend gebaar zijn schouders op.
Scherpe vragen van Palestijnse christenen die lijden onder de muur die dwars over hun land gebouwd is en zich afvragen waarom zij zo weinig steun krijgen van hun broeders en zusters in Christus in het Westen. Zijn zij dan niet Gods volk?

De laatste anderhalf jaar is mijn band met Israël veranderd. Met verbijstering heb ik gekeken naar de slachting onder Joodse burgers op 7 oktober. Maar met nog grotere aan afschuw grenzende verbijstering zie ik nu al maanden lang de afschuwelijke en nietsontziende reactie van politiek en leger op die aanslag.
Het lijkt een moordpartij waarin men iedere controle over zichzelf is kwijtgeraakt. Zoveel doden. De bijna verhongerde Palestijnse baby’s met hun magere, knokige, armpjes en beentjes grijnzen me aan vanaf het beeldscherm.

Met even veel verbazing zie ik hoe Israëls achterban onder de christenen in partijen die fel tegen over elkaar staan verdeeld raken. De liefde voor Israël onder gelovige christenen heeft altijd al verschillende vormen aangenomen, maar nu staan groepen christenen lijnrecht tegenover elkaar.
Ik voel me nog steeds verwant met het Joodse volk, maar de laatste twee jaar lijd ik onder die relatie. Het is niet om aan te zien hoe de nakomelingen van het oude volk geweld gebruiken tegen de volken om hen heen en hen in de armen jagen van organisaties als Hamas en Hezbollah, omdat ze geen onderscheid meer maken. Juist zíj geen onderscheid meer maken.

Zondag gaan we het hebben over Jesaja 2, waarin de naties van de wereld optrekken naar Jeruzalem om er een voorbeeld te nemen aan de HEER.
Om er vrede te vinden.
Ik vraag me af hoe Arabische christenen deze tekst nu lezen.
‘Vrede uit Jeruzalem’ lijkt me voor hen nu eerder een vraag dan een belofte.

Zondag verder…

Geplaatst in Preken | Getagged , , | 2 reacties