II. Contrast: wie we waren en wie nu zijn! Een kleine biografie.

In de zomer van 2025, tijdens mijn studieverlof, ben ik op zoek gegaan naar wie we zijn als christenen in de Nederlandse Gereformeerde kerken Die zoektocht kwam voort uit een heel persoonlijke vraag: wie ben ik eigenlijk, in deze kerk, in deze samenleving? Ik vroeg me af wie wij als gemeenteleden voor elkaar zijn, wat ons bindt, maar ook wat ons soms uit elkaar drijft. Wat is nu typisch Nederlands Gereformeerd aan ons? Tegelijkertijd vroeg ik me af: welke invloeden spelen er eigenlijk onder ons? Waar liggen onze sterke punten, en waarin zijn we juist kwetsbaar? Het zijn grote vragen die in vijf weken natuurlijk onmogelijk te beantwoorden zijn. Toch hoop ik in deze periode een aantal aanzetten te kunnen ontwaren, die een scherper beeld geven van onze identiteit als christenen in de Nederlandse Gereformeerde kerken– en misschien ook van mijzelf.

Wie waren we eigenlijk ooit? Als ik als eens op mijn eerste indrukken afga, is er wel een groot verschil met eerder.

Toen ik nog naar de lagere school ging, was het avondmaal in onze kerkelijke gemeente, één van de leukere diensten voor mij als kind. In de andere kerkdiensten gebeurde van alles dat ik niet echt begreep. Met name de preken waren voor ons kinderen lang, ingewikkeld en onbegrijpelijk. Vaak droomden we maar wat weg tegen de schouder van mijn moeder. Toch speelde mijn geweten dan op: ik vond dat ik eigenlijk wél moest luisteren, maar het lukte me gewoon niet.

Een avondmaalsdienst duurde ook langer, maar er was wel van alles te zien en te beleven. De speciaal gedekte tafel vóór in de kerk, met daaroverheen een wit laken, dat wat daaronder lag toedekte. Dat gaf direct al een mysterieuze sfeer. Alsof er tijdens de dienst een cadeau uitgepakt moest worden.
En dan het uitdelen van de beker met wijn en het bord met brood. Iedereen bleef in onze gemeente in de banken op z’n plek zitten, dus werden brood en wijn in de rijen uitgedeeld door de ouderlingen, die voor deze gelegenheid speciaal in een soort jacquet gekleed waren. Zwarte jas, streepjesbroek en glimmend gepoetste zwarte schoenen. Zo zag je hen normaal nooit. Op het zeil van onze kerk zaal knarsten de glimmend gepoetste zwartleren schoenen bij iedere stap die zij zetten. Het was doodstil tijdens de viering.
Omdat wij helemaal achterin zaten, begon de ouderling nog al eens bij ons. Eerst hoorde je het geknerp van zijn schoenen langzaam dichterbij komen, en dan rook je de wijn en ook het brood al, voordat ze bij je bank aangekomen waren. Als kind mocht ik nog niet meedoen, maar al wel meehelpen. De ouderling gaf me plechtig de beker in m’n hand, zodat ik hem kon doorgeven aan mijn moeder. Ik kon even in de beker kijken en zag daar het donkerrode vocht, de wijn, die zo bijzonder rook. Dit herhaalde zich bij het bord met brood. De ouderling gaf het mij voorzichtig in m’n handen, zodat ik het door kon geven aan mijn moeder. Dan zag ik de stukjes brood, zoals ik nooit brood zag: witbrood, gesneden in lange repen (hoe deed de koster dat toch?) en daarna in ontzettend veel kleine stukjes gebroken.
De ernst van de ouderling, het plechtige van zijn kleding en gebaren, zijn glimmend gepoetste zwarte schoenen, de ernst waarmee mijn moeder op haar beurt de beker en het bord aanpakte en daaruit dronk en van het bijzondere gebroken brood een stukje at, het maakte allemaal diepe indruk op me. Als ik nu terugkijk, waren die avondmaalvieringen bijzondere, gewijde momenten. Ik voelde me een deelgenoot, en het maakte het verlangen in me wakker om -als ik groot was- ook eens van het brood te mogen eten en uit die beker te mogen drinken. Dat moest immers wel iets heel bijzonders zijn.

De avondmaalsdienst was vroeger een bijzondere dienst. Iedereen probeerde dan ook zoveel mogelijk in die dienst aanwezig te zijn. Je ging bij voorkeur niet op bezoek bij familie of bij vrienden op een avondmaalszondag. (Dat deed men in die tijd sowieso minder op zondag). Deze viering mocht je eigenlijk niet missen. Dat was een algemeen gevoel. Het was dan ook maar één keer in de drie maanden, dus als je er niet was moest je drie maanden wachten voordat je weer kon aangaan en zat er inmiddels een half jaar tussen de vieringen.
Ik moet zeggen dat dit ook zo wel door de kerkenraad werd gebracht. Als je in die tijd niet aanging aan het avondmaal, was de kans groot dat je erop aangesproken werd. In ieder geval werd van je verwacht dat je een geldige reden had, waarom je niet geweest was.

Als wij tegenwoordig het avondmaal vieren bij ons in de gemeente, ga ik er niet vanuit dat iedereen er is. Ik denk dat er maar weinig gemeenteleden zijn die om die reden niet op familiebezoek zouden gaan, zoals dat bij ons vroeger het gebruik was.
Ook denk ik niet dat het tegenwoordig als een heel bijzondere dienst wordt beleefd. Meestal niet door de kinderen en de jongeren, die het vooral een lánge dienst vinden. Want alles bij elkaar zit je toch al gauw een kwartier of 20 minuten langer in de dienst. De gemeenteleden en ook de leden van de kerkenraad zijn niet speciaal gekleed op dit avondmaal, ze dragen bijna allemaal de kleren die ze in andere diensten ook dragen.
In ons kerkverband is inmiddels al zeker tien jaar het gesprek gaande of de kinderen ook aan het avondmaal kunnen gaan. Ik merk aan sommige collega’s en ook aan sommige gemeenteleden, dat zij dit eigenlijk helemaal geen vraag vinden. Ze stellen: waarom gáán de kinderen bij ons nog niet aan het avondmaal? Kortom, waar wachten we op!
Ik ben inmiddels volwassen geworden, dat kleurt mijn beleving, maar het geheel is een stuk minder plechtig en gewijd dan ik het vroeger ervoer. Bij ons vieren de kinderen en jongeren nog niet mee, maar ik zie hoe sommige ouders stiekem toch een stukje brood naar één van hun kinderen smokkelen. Of ik hoor later dat ze thuis met de kinderen ook avondmaal gevierd hebben. De sfeer is echt anders. Minder heilig, minder gewijd, minder ontzagwekkend en meer vanzelfsprekend zoals ieder het voor zichzelf ziet.

Het is beslist niet zo dat iedereen in onze gemeente dit op dezelfde manier beleefd. Er zijn gemeenteleden die nog net zoals ik het vroeger beleefde omgaan met het avondmaal: als een plechtige, gewijde gebeurtenis. Ze vinden het ook niet zo nodig dat hun kinderen al meevieren. Dat komt later wel als ze belijdenis gedaan hebben. Dat is voor hen nog even vanzelfsprekend als het voor ons vroeger was.
Want dat was vanzelfsprekend, herinner ik me. Ik verwachtte ook niet dat het anders zou moeten. Want het gevoel dat ik had was dat ik moest opgroeien om zo volwassen te worden dat ik ook zou kunnen meevieren. Dat was toen heel gewoon: te wachten totdat je zover was. Net zoiets als autorijden, je moest ook eerst leren hoe dat moest en dan ook zelf leren rijden, voordat je achter het stuur mocht. Dat sprak vanzelf.

Die eensgezindheid, die er ooit was over zoiets als het avondmaal, is er niet langer. Over dit en over andere zaken hebben we als gemeenteleden verschillende meningen. En dat merk je zodra je het onderwerp ‘kinderen aan het avondmaal‘ aan de orde stelt: zoals gezegd, voor de één is het ‘waar wachten we nog op‘ en voor de andere is het: ‘voor mij hoeft het allemaal niet.’ Al gauw komt er een sfeer omheen te hangen van: we mogen het onze kinderen niet langer onthouden. Dat gevoel is tegenwoordig net zo sterk, als vroeger het tegengestelde standpunt: kinderen horen het avondmaal nog niet mee vieren.

Zie hier hoe een avondmaalsviering, tenminste de beleving ervan, in vijftig jaar tijd is veranderd. Is het tegenwoordig allemaal slechter? Nee hoor, nog steeds kan het een indrukwekkende viering zijn. Maar het is wel heel anders dan vroeger en als je mij zou vragen: ‘vind je het net zo goed als het vroeger?’ Dan aarzel ik om zomaar ‘ja’ te zeggen. Want we zijn niet zo eensgezind meer. Het lijkt wel of ieder zijn eigen beleving heeft, veel meer dan vroeger. En dat doet toch af aan de gezamenlijke avondmaalsviering.
Wat is er veranderd? Wat heeft ons veranderd? Ik kan een heleboel argumenten noemen, en ze snijden ook beslist wel hout en toch: hoe meer ik er over nadenk, steeds minder heb ik gevoel dat daarmee alles gezegd is. Wat speelt hier op de achtergrond een rol?

Over Wieb Dijksterhuis

Predikant met Groningse wortels die sinds 2000 in het midden van land woont, samen met zijn vrouw. Hun vier kinderen wonen inmiddels tussen Ermelo en Hasselt (BE). Van 2006-2016 predikant in NGK de Ontmoeting (Voorthuizen-Barneveld). Vanaf 31 januari 2016 de voorganger van de NGK van Ermelo, een warme gemeente tussen de randmeren en de Veluwse bossen. Zijn roots blijven hoorbaar en merkbaar. Hij kan het niet helpen de wereld 'toch' vanuit een Gronings standpunt te blijven bezien.
Dit bericht is geplaatst in Identiteit vd NGK. Bookmark de permalink.

Geef een reactie