4. Schuilen?

Het raakt ons als er iemand vertrekt uit de eigen gemeente. Dat komt nog dieper en voelt scherper is het iemand uit je persoonlijke levenskring is die je dierbaar is. De wond is dieper en geneest slechter, zeker als anderen uit je kerkelijke gemeente onzorgvuldig met je verwondering om gaan of er helemaal geen aandacht aan geven, laat staan zorg aan besteden. Wat doet zoiets met jouw welbevinden in de gemeente? Hierover gaat het in het vierde hoofdstuk van de serie ‘achtergebleven’.

Photo by Roger Starnes Sr on Unsplash

Wat ik me kan herinneren is, toen mijn broer niet meer geloofde, hoe storend het was dat de goegemeente in de kerk uit volle borst Psalm 73:11 zong, zonder enig besef van wat er gezongen werd: “Wie ver van U geweken is, komt eenmaal om in duisternis.” En vervolgens -orgel alle registers open: “Maar dit is mijn gelukkig lot, te mogen schuilen bij mijn God.” Ik heb het bijbeltje nog waarin ik dat couplet heb doorgestreept (Kuiper, 2018, p.10).
 
Pijnlijk moment, een confrontatie met het al te vanzelfsprekende ‘wij-gevoel’ in een kerkdienst. Zo zijn er wel meer van die momenten: een doopdienst waarin God ‘eeuwig zijn verbond gedenkt’, maar jouw kleinkinderen niet gedoopt zullen worden. Een trouwdienst waarin om de zegen van God voor het pasgetrouwde paar wordt gevraagd, jouw kinderen zullen die niet willen vragen over hun relatie, belijdenisdienste…Kun je je in de kerkzaal nog ooit weer echt thuis voelen -gesteld dat dit al zo was- als de stoelen van je familie of vrienden leeg blijven? Je bent door hen achtergelaten in een kerk die door hun vertrek beslist vreemder voor je geworden is.
Je verlangen naar een mooie toekomst van de kerk en het koninkrijk is vermengd geraakt met een heel stel andere gevoelens: twijfels en zorgen. Wat is dat dan voor toekomst zonder je familie en je vrienden? En wat komt er dan van hén terecht?

Dat ene regeltje zo nu en dan is voor jou toch lippendienst aan je verdriet. Het raakt de oppervlakte ervan even, maar peilt de diepte ervan niet.


 
En je schaamt je ook dat je niet gewoon blij kunt zijn met je broers en zussen in de gemeente. Als iemand weet hoe bijzonder zo’n doop, trouwdienst of belijdenis is, dan weet jij dat wel. Het is zijn bijzondere momenten die allesbehalve vanzelfsprekend zijn. Daar kun je niet anders dan dankbaar en blij om zijn, maar jij bent het nu even niet. Je gevoelens laten zich immers niet dwingen. Het valt je van jezelf tegen dat je voor hen niet blij kunt zijn.
Maar de voorganger bad toch zo mooi voor de ouders die juist nu verdriet voelen omdat ze herinnerd worden aan hun gemis. Maar je merkt dat ook dit je niet echt troost. Dat ene regeltje zo nu en dan is voor jou toch lippendienst aan je verdriet. Het raakt de oppervlakte ervan even, maar peilt de diepte ervan niet.
 
Misschien is dát het wel, de vreugde wordt volop gevierd in je gemeente, maar voor het verdriet is niet echt de ruimte. Dat merken ook je broers en zussen die in de rouw zijn: hun verdriet en vooral hun gemis groeit in de loop van de jaren, maar na een tijdje gaat het er bijna nooit meer over in de kerk. Maar zij hebben tenminste nog één ‘Eeuwigheidszondag’ in het jaar, over het verdriet van de andere achterblijvers wordt vrijwel nooit  meer gepraat.
 
Goed bedoelde maar onhandige troost helpt je ook al niet. “Je kinderen doen het toch goed!”  (Van der Kooi & Ter Horst, 2009, p. 145). Dat is waar maar toch helpt dat niet voor je pijn, het maakt je integendeel regelmatig nog verdrietiger. Immers wat is hun toekomst? Het is snelle troost die weer even snel van je afglijdt, als waterdruppels van een regenjas.
Het grootste deel van de gemeente is gelukkig fijngevoeliger. Omdat ze niet goed weten hoe je ze kunnen troosten, geven ze je de ruimte en houden ze -als het hierom gaat- respectvol afstand van je. Iets troostends zeggen is soms moeilijk, dat is waar, een woord is gauw teveel. En toch, niks zeggen is nog erger (Van der Kooi & Ter Horst, 2009, p. 164). In de stilte is iemand pas echt helemaal weg.

Kerkenraden zetten daar soms een dikke streep onder omdat ze druk zijn de ledenlijst ‘op te schonen.’


 
Terwijl je kind nog gewoon een deel van jouw leven is, verjaardagen viert, afstudeert, een beroep uitoefent, kinderen krijgt, bestaat het in de gemeente niet meer. Jij hebt een levende band met je kind, je hoopt nog en bidt nog, maar de gemeente lijkt de band van haar kant allang verbroken te hebben. Terwijl ze daar soms zelfs opgegroeid is en een hele tijd deel uitmaakte van die gemeente. Maar tegenwoordig staat hun naam niet meer in de gemeentegids, sterker nog een heel stel gemeenteleden kennen hen niet eens, de anderen noemen hun namen niet meer of zijn ze inmiddels zelfs vergeten. Is er nog iemand in de kerk die voor hen bidt behalve jij? Het zou zomaar kunnen zijn dat zijn naam een vast onderdeel is van het gebed van gemeenteleden, maar dat zul jij nooit weten. Want we hebben het er maar niet over!
 
Kerkenraden zetten daar soms een dikke streep onder omdat ze druk zijn de ledenlijst ‘op te schonen.’ Want ja, een kerklidmaatschap moet je wel serieus nemen en wie al jaren niets van zich laten horen, gaat duidelijk niet zorgvuldig met het lidmaatschap van de gemeente om. Bovendien zijn het dure leden, omdat ze nog wel meetellen moet de gemeente nog steeds geld voor hen afdragen aan het landelijke kerkverband, terwijl ze zelf niet betalen. Beter om hen op hun plichten te wijzen en als ze niet van plan zijn om meer invulling aan hun lidmaatschap te geven, worden ze van de ledenlijst afgevoerd. Het is zelfs wel voorgekomen dat er in de gemeente geen enkele aandacht aan hen besteed wordt. De namen van de ‘afgevoerden’ worden niet in de mededelingen genoemd, laat staan dat er voor hen gebeden wordt. Wie goed oplet kan hun vertrek via de rubriek mutaties in het kerkblad volgen. Het maakt je als achterblijver schrijnend duidelijk dat je kind niet alleen uit het oog is, maar ook uit de harten. Je vraagt je af hoe je dit aan je kind moet vertellen zonder dat die het als bevestiging van zijn oordeel over de kerk zal zien.

Een deel van je leven en van je geloof groeit op deze manier los van de gemeente.


 
Het draagt verder bij aan de vervreemding die je begon te voelen in je gemeente. Natuurlijk bedoelt niemand je daar een vreemdeling te laten voelen. Maar een deel van jou is vertrokken uit de gemeente. Dat voelt als een amputatie en jij hebt daar last van. Maar in je gemeente kun je niet schuilen voor je verdriet, want de anderen lijken zich daar niet bewust van. Het wordt er immers nooit meer genoemd, het heeft daar geen plek. Niet op de ledenlijst, niet in de gebeden, niet in de gesprekken. Ze zijn daar gewoon niet meer. En jouw verdriet om hen blijft op deze manier ook volkomen buiten beeld. In de gemeente is er geen troost voor dit verdriet. Je moeite wordt meer en meer iets voor jezelf. Een deel van je leven en van je geloof groeit op deze manier los van de gemeente. Het kan zelfs zijn dat je geloofsleven meer en meer iets persoonlijks wordt dat -als je eerlijk bent- behoorlijk losstaat van je gemeente. Thuis kun je soms schuilen, in je persoonlijke gebed bij je hemelse Vader. In de gemeente niet. Het kan zomaar gebeuren dat het bezoeken van de bijeenkomsten van de gemeente in de loop van de jaren steeds pijnlijker voor je wordt. Als je niet voorin hoeft te zitten, vanwege een functie in de gemeente, zou je het liefst helemaal achterin gaan zitten. Dan hou je je gemis zo kort mogelijk en kun je na die tijd weer snel naar huis. Soms ga je maar helemaal niet meer om de confrontatie uit de weg te gaan. Je zou toch maar weer teleurgesteld worden.

Geplaatst in Achtergebleven | Getagged , , , , | 1 reactie

Worsteling (Gen. 32)

Ik heb gezocht naar een mooie worstelfoto. maar die kon ik zo snel niet vinden. Dat is denk ik ook eigen aan een worsteling: vertrokken gezichten, gespannen spieren, zwetende lijven, verwrongen lichaamshoudingen. Een worsteling toont ons niet op zijn mooist. In onze geschiedenis is Jakob de hele nacht aan het worstelen. Hoe zal hij er ’s morgens hebben uitgezien toen hij hinkend het strijdperk verliet? 
Worstelingen brengen meestal niet het mooiste in ons naar boven, de lichamelijke niet en de geestelijke ook niet. Dat kun je zien aan onze gezichten, horen aan onze stemmen en merken aan onze stemming. Deze week gaat het over de worsteling van Jakob op weg naar huis. Of was het eigenlijk de worsteling van iemand anders?

Terug van vakantie begint zometeen het nieuwe seizoen weer. Komt het al weer eens voorbij in je gedachten? Heb je weer genoeg nieuwe energie opgedaan voor wat er komt? Wat hoop je te bereiken dit jaar? Wat is je ambitie? En hoe wil je die waarmaken?

Zondag verder, ik hoop weer velen van jullie te ontmoeten.

Geplaatst in Preken | Getagged , , , , , | Een reactie plaatsen

3. Schaamte

Photo by Karl Fredrickson on Unsplash

De stilte na het vertrek van een dierbare bekende is niet zelden oorverdovend. Men heeft het er in de kerkelijke gemeente doorgaans niet over. Terwijl bij jezelf allerlei gevoelens voorbij zijn gekomen in de jaren dat het proces van vertrek zich voltrok: schrik, schuld, schaamte en er na het uiteindelijke vertrek: zorgen, gelatenheid en een soms schurend, confronterend contact. En terwijl je probeert een plek te geven aan de vervreemding die er in de relatie met je dierbare geslopen is. Kortom, terwijl je zelf nog dagelijks probeert om te gaan met de gevolgen van het vertrek, is het in de gemeente om je heen stil. Zo nu en dan benoem je het nog eens, maar meestal blijkt het dan dat het voor je medegemeenteleden een afgesloten zaak is. Naarmate het langer geleden is, zijn er ook steeds minder gemeenteleden die er nog iets van weten. Heel vaak worstelt men in een een soort vacuüm met de gevolgen van het vertrek. Een leegte waarin -voor de anderen onmerkbaar- innerlijke gevoelens vrij spel hebben.
Na de vakantie pikken we het verhaal van de achterblijvers weer op met hoofdstuk 3 over schaamte.

3. Schaamte

Iedere zondag voelt hij het weer als hij voorin gaat zitten: mág ik hier wel zitten? Kan ik nog in het bestuur van mijn gemeente functioneren? Hij weet immers heel goed wat Timotheüs als voorwaarden voor de leiders van een gemeente stelt:
 
Hij moet zijn eigen gezin goed weten te leiden en op waardige manier gezag kunnen uitoefenen over zijn kinderen. Want als iemand zijn eigen gezin niet weet te leiden, hoe kan hij dan zorgdragen voor de gemeente van God? (1 Tim. 3 GNB)
 

Hoe je het dan ook precies moet uitleggen: hier was hij toch duidelijk tekortgeschoten. Sinds zijn zoon de diensten niet meer bezoekt, kun je zijn gezin toch niet echt een voorbeeld voor de anderen noemen. Kan hij hier dan nog wel zitten? Ja, rationeel weet hij het allemaal wel: als hij vertrekt uit de kerkenraad wordt het daar ook niet beter van. Maar zijn gevoel laat zich niet gemakkelijk geruststellen: hij heeft gefaald en dat is onderdeel geworden van hoe hij zichzelf ziet.
 
Het voelt als schuld, maar dat is het eigenlijk niet begrijpen we van Rietkerk. Maar je schaamt je wel, dat is zeker. Je bent teleurgesteld in jezelf, je had het anders willen doen, een inspiratie willen zijn voor je kinderen. Maar je was het zoveel minder dan je hoopte. Vanaf nu kun je de anderen in de gemeente maar moeilijk onder ogen komen. Je hebt gefaald, dat kan iedereen zien.

…maar het zwijgen voelt aan als een veroordeling


Voor je gevoel zien de anderen in de gemeente je ook zo: ‘Het is hem niet gelukt!’ Niemand zal het ooit hardop tegen je zeggen, maar het zwijgen voelt aan als een veroordeling.
 
Het is pijnlijk om je zelf op deze manier te leren zien. Je gevoel van schaamte zet je voor de spiegel. Nee, niet in al je falen en tekortschieten, maar nu net in het tegenovergestelde: voor de spiegel van je eigen schaamte ontdek je pas hoe je zelf een tijdlang tegen anderen aangekeken hebt. Waar komt je schaamte anders vandaan? Kennelijk heb je gedacht, als je een gezin voor je zag waarvan sommige kinderen niet meer in de kerk kwamen, dat dit dan wel aan die ouders zou liggen. Dat ze hun opvoeding toch serieuzer hadden moeten aanpakken. Als je hen sprak dan zei je dat niet tegen hen, maar ergens dacht je het toch: ‘ze moeten iets nagelaten hebben’. Hoe meer kinderen niet meer bij hun ouders zaten, des te sterker dat gevoel werd. Stel je toch voor: ‘geen van hun kinderen komt nog in de diensten!’
Maar als je dan consequent bent, denk je dan ook dat het mogelijk is je kinderen zo op te voeden dat ze gegarandeerd zullen gaan geloven? Durf je te zeggen: ‘Het is mijn goede opvoeding die ervoor gezorgd heeft dat ze allemaal nog naar de kerk gaan.’ Bijna niemand zal die uitspraak voor zijn rekening willen nemen. Maar als je kinderen je wel in je geloof volgen, betrap je jezelf er zomaar op dat je best tevreden bent met jezelf. Al zul je dat niet gauw zo zeggen, want natuurlijk ben je dankbaar en blij ‘dat het zo gelopen is!’

Je gevoel van schaamte zet je voor de spiegel

Adam, Eva, Abram, Izaäk, Job en Noömi, ze moesten zich schamen. Hun kinderen zijn van de weg afgeweken. Eigenlijk moest de Heer Jezus zich ook schamen: het was toch een leerling van Hem die zich aan verraad schuldig maakte.
Als ik het zo stel zie je hoe onhoudbaar deze gedachte is. Je mag Abram niet verantwoordelijk maken voor de daden van zijn neef Lot, net zomin als Izaäk het ongeloof van Esau op zijn geweten heeft en -omgekeerd- Jakob zich het geloof van Jozef mag aanrekenen. Bij allen lees je van het verdriet dat ze hebben van het optreden van hun familie, dat laat zien hoe ze het echt voelden. En als je over Job leest die voor de eventuele zonde van zijn kinderen offert, zegt dat iets over zijn rechtvaardigheid en niet over zijn tekort. Hij offert voor zijn kinderen, niet voor zichzelf. En het gedrag van Judas kun je niet aan Jezus wijten, wat je daarvan begrijpt is in ieder geval dat er iets heel anders speelt dan het falen van Jezus. In de bijbel is een ouder niet per definitie verantwoordelijk voor de keuzen van de kinderen (Ez. 18:20) en zijn de ouders evenmin de bron van het geloof van hun kinderen (Efe. 2:8). Geloof is immers een geschenk van God. En toch ben je ook zelf verantwoordelijk. Dat is ingewikkeld en je kunt het dus niet helder op een rijtje krijgen.

Wanneer je je de geschiedenis van het volk van God voor de geest haalt dan mag je bijna zeggen dat geloofsverlating in het Oude Testament eerder regel is dan uitzondering! (Kuiper, 2018). En dat is in onze tijd niet anders, al zijn we dat misschien wel gaan denken in de periode van het christelijke Europa.

Post-christelijk

We leven al lang niet meer in de tijd van het vanzelfsprekende christendom, daar is al veel over gezegd en geschreven. Een mooi voorbeeld daarvan kun je vinden in het boek ‘Vreemdelingen en Priesters’ van de missioloog Stefan Paas (2015). Hij beschrijft hoe sommige landgenoten in de stedelijke gebieden van Nederland zo grondig geseculariseerd zijn dat je kunt spreken van ‘apatheïsme’, d.w.z. mensen nemen de moeite niet eens meer om atheïst te zijn. God is niet interessant genoeg om een standpunt over Hem in te nemen (Paas 2015).
In een geseculariseerd land zijn er veel redenen waarom iemand besluit de kerk te verlaten. Eén daarvan is dat we als mensen van de kerk ook met minstens één been in de wereld staan (Schaeffer & Wijma, p.5). Niet-geloven is zo alom aanwezig in ons land dat dit het ‘nieuwe normaal’ is geworden. Wie toch naar de kerk gaat moet daar heel bewust voor kiezen en heeft vaak ook iets uit te leggen aan zijn omgeving. Heel anders dan eerder is het vrijwel onmogelijk om in zo’n cultuur uit fatsoen of uit gewoonte zomaar een beetje mee te hobbelen in de kerk (Paas, 2015). Zo kerklid zijn was vroeger veel gewoner, zie hoofdstuk 1, maar doet tegenwoordig merkwaardig ouderwets aan. Je zou kunnen zeggen dat we teruggekeerd zijn naar de situatie zoals die tijdens het grootste deel van de geschiedenis voor christenen was: dat je een minderheid bent met een mooie roeping (Paas 2015).


Individualisering van geloof

Daar komt nog eens bij dat de band met een kerkelijke gemeente veel individueler geworden is. Ja, geloven veel individueler geworden is. Het is nu allereerst iets tussen jou en de Heer. De kerkelijke gemeente staat voor veel kerkleden redelijk los van hun geloof (Joep de Hart via Dekker 2016).
Ook kerklidmaatschap is veel minder iets van een bepaalde familie of de mensen in een bepaalde plaats. Als ouders hun kinderen bij hun kerk proberen te houden met het argument: “bij ons in de familie is men Hervormd”, dan zullen hun kinderen hen in reactie daarop duidelijk maken dat je ook heel goed christen kunt zijn in een ander kerkgenootschap. Ja, de relatie tussen kerkgemeenschap en geloof wordt door heel aantal niet zo duidelijk meer gezien. Individuele geloofservaringen zijn belangrijker dan die in de gemeente (Vlasblom, 2019).
In onze consumptiemaatschappij is geloven ook een vorm van consumptie geworden, geloof en kerk horen bij onze persoonlijke keuzen (Paas, 2015). De verschillende kerken zijn marktspelers geworden. Je kiest de bij je passende kerk uit op basis van reviews, zoals je ook een restaurant uitzoekt. Dat doe je voor de time beïng. In een goed restaurant wil je best een paar keer eten, maar je wilt niet je hele leven naar hetzelfde restaurant gaan (Paas 2015). Families verdelen zich tegenwoordig vaak over verschillende kerken: een verandering van levensfase, zoals kinderen die de deur uitgaan of een verhuizing, kan een reden zijn om de keuze voor een andere kerkgemeenschap te maken. Familiebijeenkomsten zijn in de 21e eeuw ontmoetingen van veel verschillende geloofsstijlen en ongeloofsstijlen. Je bent als familieleden niet meer vanzelfsprekend lid van hetzelfde kerkgenootschap of zelfs überhaupt nog lid van een kerk. Die individuele insteek vertroebelt onze kijk op kerkverlating.

“Kerkverlating is in een puur geïndividualiseerde levensbeschouwing altijd een tragedie”


 
In de bijbel kom je maar weinig individueel geloof tegen. God verbindt zich met een heel volk, een familiegemeenschap of een heel ‘huis’ (Han. 16:33). De meeste individuele geloofsverhalen worden verteld in het kader van een gemeenschap of van een gemeenschap die er nog moet komen. De gemeenschap als geheel wordt op het leven van één van de leden aangesproken: je draagt gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor elkaars geloofsleven. Zo worden de bekende zeven gemeenten in Asia dan ook aangeschreven met een evaluatie van hun dagelijkse geloofsleven (Open. 2 en 3), als gemeenschappen. Kennelijk kun je de hele gemeenschap aanspreken op het gedrag van enkelingen uit die gemeenschap.

Toen het evangelie in Europa aankwam, kwamen in navolging van hun vorsten, hele volken tot geloof. Vanaf de Reformatie komt er veel meer aandacht voor persoonlijk geloof. Dat was het begin van een heel proces van individualisering dat zich tot op de dag vandaag voortzet. Er zit een mooie kant aan de groei van een meer persoonlijke benadering van het geloven, maar ook een minder mooie: we worden in ons geloven helemaal op onszelf teruggeworpen en staan daar min of meer alleen in. En als één van onze kinderen de kerk verlaat, staan we daar eveneens alleen in, zowel in onze gevoelde verantwoordelijkheid als in onze bezorgdheid. Of zoals Stefan Paas het uitdrukt: “Kerkverlating is in een puur geïndividualiseerde levensbeschouwing altijd een tragedie” (2019).
Als schaamte al op zijn plaats is, dan zou in het geval van een lid dat de kerk verlaat de hele gemeente zich moeten schamen: we zijn samen tekortgeschoten tegenover de persoon die onze gemeenschap verliet.

Geplaatst in Achtergebleven | Getagged | 1 reactie

Verbinding (Handelingen 10)

Ik las eens het verhaal van een niet-gelovige vrouw die iets bijzonders in zich voelde gebeuren.
Ze raakte steeds meer geïntrigeerd door het christelijke geloof. Toch benieuwd naar meer daarvan probeerde ze nadere informatie te krijgen. Maar ja, waar begin je als onbekende in die wereld?
Ze had wel eens proberen te lezen in het boek van de christenen, maar daar was ze niet zoveel mee opgeschoten. Wat ze er al van begreep zorgde er alleen maar voor dat ze nog meer vragen kreeg. Ze had eigenlijk mensen nodig aan wie ze vragen kon stellen en die haar dan gericht zouden kunnen zeggen wat ze verder wilde weten. Maar ja, ze had geen christenen in haar kennissenkring, dus hoe kwam ze daar dan mee in contact?
Ze had wel gehoord dat christenen in haar woonplaats iedere zondag bij elkaar kwamen in hun eigen clubgebouwen. Daar zou ze vast met haar vragen terecht kunnen natuurlijk. Alleen, zag ze er nogal tegenop om daar heen te gaan, het was vroeg op haar vrije zondagmorgen. De kinderen waren bij haar, dus die zou ze ook mee moeten nemen. Ze zagen haar aankomen met haar bende, nogal drukke, kinderen. 

Vragen hebben zo de neiging te blijven knagen…

Maar vragen hebben zo de neiging te blijven knagen en toen die haar na een aantal maanden nog onrustig maakten, besloot ze het maar te wagen. Ze bedacht om het zo gemakkelijk mogelijk te houden, dat ze naar het dichtstbijzijnde verenigingsgebouw zou gaan. 

Die zondag wist ze met veel moeite haar kinderen op tijd uit bed en aangekleed te krijgen en gingen ze op weg naar het gebouw met de toren in haar wijk. Een gebouw waar ze altijd langs kwam en waarvan ze de klok thuis kon horen luiden. Bij de ingang werd ze toegeknikt door een man in een zwart pak. Hij liet haar doorlopen, maar het gaf haar toch het gevoel dat ze hier eigenlijk niet hoorde. Ze kwam binnen in een ruimte die helemaal gevuld was met banken. Achterin waren er een aantal bijna leeg. Gauw schoof ze met haar kinderen in een van die banken naar binnen en ging er zitten. Sommigen mensen die er zaten knikten naar haar, de meesten bleven strak voor zich uit kijken. Er klonk muziek uit het grote orgel. Iemand tikte op haar schouder, ze keek op in een wat geërgerd gezicht van een wat oudere vrouw die haar vroeg of zij haar het bijbeltje wilde aangeven dat daar voor haar in een vakje onder de stoel lag. Plotseling stopte de muziek en ging iedereen staan. Ze schrok, ging snel ook staan en probeerde haar kinderen ook zover te krijgen.
Voorin de kerk ging een deur open, en daardoorheen stapte een rij mannen de ruimte binnen. Ze leken op elkaar want ze droegen allemaal dezelfde, donkere, bedrijfskleding. De twee achterste mannen gaven elkaar een hand. Daarna klom de ene een verhoging op, terwijl de ander bij zijn collega’s ging staan die al beneden in banken voorin de zaal waren gaan staan. De man op de verhoging sprak een aantal plechtige woorden, het orgel ging weer spelen en iedereen begon te zingen. Hulpeloos keek ze om zich heen. De meesten meeste mensen om haar heen zongen uit een boekje, maar zo’n boekje had zij niet. Iemand voor haar draaide zich om en gaf haar een boekje, maar ja daar kon ze niets mee hoe moest je daarin zoeken. Het werd het begin van een lange zit voor haar en haar kinderen, die een hoop geërgerde aandacht trokken, in een bijeenkomst waar ze er maar weinig van begreep van wat er gebeurde, wat er gezegd werd en wat de bedoeling van dit alles was. Nadat de bijeenkomst afgelopen was, stonden veel mensen met elkaar te praten. Ze kenden elkaar, dat was haar wel duidelijk. Niemand sprak haar aan. Snel vertrok ze naar huis, ze had de indruk gekregen dat dit niets voor haar is. Maar waar moest ze dan heen met haar vragen?

Snel vertrok ze naar huis, ze had hier de indruk gekregen dat dit niets voor haar is

Je merkt aan het verhaal dat het al wat langer geleden is. Het zou nu net allemaal even wat anders gaan. Maar ik weet nog wat ik toen dacht, ik hoop dat dit niet bij ons was! Is die zorg terecht of is er nu eenmaal een kloof tussen kerk en wereld en moet je niet teveel willen verbinden?

Geplaatst in Preken | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

2. Aanklacht!

Schuld maakt je een klein mens. Voor God en voor je medemensen.
Je gevoel van trots lijdt sterk onder schuld, zelfs als het maar bescheiden trots is.
Van schuld kun je je zelf niet bevrijden. Je kunt het alleen onderdrukken voor jezelf of het proberen te negeren. Meestal lukt dat niet, want schuld vreet als een knaagdier aan je. Je kunt de pijn die dat veroorzaakt negeren als er maar genoeg andere impulsen zijn die je aandacht trekken.
Maar als het dan weer stil wordt, dient de pijn zich opnieuw bij je aan. Ze blijkt er nog gewoon te zijn: alle aanklachten liggen er nog. Als je zelf niet weet hoe je van je schuld af moet komen, kan alleen een ander deze last van je schouders tillen. Vertrek van dierbaren uit de kerk gaat vaak samen op met de aankomst van schuld. Zodra de ander uit beeld is, komt schuld voor die persoon in de plaats. Het wordt je nieuwe gezelschap: als het ware een negatief van de dierbare die je zo mist.
Maar is dat wat zich als schuld aan je laat zien en je voortdurend aanklaagt, eigenlijk wel wat het beweert te zijn?
Deze week het tweede hoofdstuk uit de serie Achtergebleven. Voorlopig -voor de duur van de vakantie- het laatste. In augustus gaan we verder met hoofdstuk drie.

2. Schuld

Op een zondag gaven we het op. Lang hadden we hem vast proberen te houden in onze gewoonte om samen de kerkdiensten te bezoeken, hoewel hij al langer luid en duidelijk had laten weten dat niet meer te willen. Natuurlijk, we konden hem niet voor altijd vasthouden, dat beseften we heel goed. Ooit zou hij zelf moeten kiezen. Maar, dachten we, nu nog niet! Om hem nu al zo’n ingrijpende beslissing te laten nemen, hij is nog zo jong. ’t Is toch een keus voor een heel leven! En natuurlijk hoopten we en baden we dat zolang hij in de diensten kwam, er nog eens een moment zou komen dat hij er anders tegenaan zou gaan kijken. Maar ’t was zo langzamerhand een hele worsteling geworden: onze wil met zijn onwil. ’s Maandags waren we opgelucht dat we de zondag weer achter de rug hadden en zagen we alweer tegen de volgende zondag op. In de loop van de week zou de spanning steeds verder oplopen, wisten we inmiddels, om dan zondagochtend opnieuw te pieken. En als we dan eindelijk in de kerk zaten, waren wij murw en hij één brok verzet, die alleen daarom al niets meekreeg van wat er gebeurde. Wij ook steeds minder trouwens, aangeslagen als we waren.
Op den duur begrepen we dat het ons allemaal -er waren meer kinderen waar we rekening mee hadden te houden- meer schade opleverde dan dat iemand er ook maar iets mee kon winnen. We gaven de strijd op en de rust keerde weer. Tenminste in ons huis. In onze harten werd het nog onrustiger.

Als dan eindelijk de wegen scheiden en de worsteling voorbij is, komt er weer ruimte voor de zondag. Dat is aanvankelijk best een opluchting. Hoewel, zolang hij thuis woont, de verschillende levensstijlen pijnlijk langs elkaar schuren. In aanloop op de zondag komt hij ’s nachts laat thuis, te laat naar onze zin en wij staan ’s morgens vroeg op, te vroeg naar zijn zin.

De openlijke strijd mag dan gestaakt zijn, van binnen begint de worsteling nu pas echt


De openlijke strijd mag dan gestaakt zijn, van binnen begint de worsteling nu pas echt. Schuld, schaamte, verdriet en zorgen wisselen elkaar af in een soort vicieuze cirkelbeweging. In het begin is het zo’n verwarde kluwen dat je er nauwelijks vat op krijgt. Zodra je ’s morgens wakker bent, gaat het wiel weer draaien. Overdag is er wel redelijk goed mee om te gaan, er is genoeg dat je afleidt, maar als het stil wordt maalt het wiel weer verder: schuld, schaamte, verdriet en zorgen.
 
Natuurlijk heb je er verdriet van. Het loopt immers heel anders dan je hoopte, misschien wel verwachtte. Je hoopte hem te zien opgroeien en daarbij ook zijn plek bij God te zien vinden. De plek waar jij je zo geborgen voelt gun je hem ook. Maar naarmate jullie wegen zich langer scheiden, weet je dat dit er voorlopig niet van gaat komen. Je hebt wel hoop en soms flakkert die door een opmerking of een gebeurtenis weer even op, maar vaker wordt je even later opnieuw teleurgesteld in je verlangen. Vooral in het begin moet die teleurstelling een plaats krijgen tussen jou en God. Je vraagt je af waarom God dit toelaat: het is toch niet alleen het liefste wat jij wilt, maar toch ook zeker wat Hij graag wil?
 
Niet iedereen zal het op deze manier meemaken. Lang niet altijd gaan kinderen hun eigen weg als ze nog thuis wonen. Uit onderzoeken blijkt dat kerkverlating veel vaker plaats heeft in een overgangsfase: nadat je kinderen uit huis gaan, als ze gaan trouwen, als ze afstuderen en bij een verhuizing. Dat laatste betreft trouwens niet alleen de jóngeren in een gemeente (Wijma, 2019). Voor de achterblijvers is dit waarschijnlijk iets milder. Je hebt dan meer zorgen op afstand, maar je wordt er niet steeds mee geconfronteerd.
 
Toch zullen er ook dan gevoelens van teleurstelling en schuld kunnen opspelen. En de zorgen zullen er niet minder om zijn, want je haalt je zomaar van alles in het hoofd. De meeste achterblijvers zullen daar waarschijnlijk toch niet aan ontkomen. Je vraagt je af wat er fout gegaan is in je opvoeding. Wat heb je nagelaten? Had je niet meer aandacht voor hem moeten hebben? Je verwijt jezelf dat je zo vaak weg was, had je niet beter thuis kunnen zijn voor je jongen? Of heb je er teveel bovenop gezeten? En al zegt je kind regelmatig dat ‘het niet aan jou ligt’. De vragen blijven knagen (De Boer, 1990, p.18).
En daar is ook altijd aanleiding voor, want zeker heb je fouten gemaakt: je was er inderdaad te weinig en hebt lang niet altijd de juiste prioriteiten gesteld, je kinderen hebben ook je nare kanten gezien en nee je was lang niet altijd consequent christen. En dan noem ik nog maar enkele dingen.

Realiseer je dat je zorgen en verdriet het negatief van je liefde voor je kind zijn

Wat is schuld?
De predikant Wim Rietkerk (2000) maakt een onderscheid tussen schuld en schaamte (p. 63). Schuld heeft te maken met het overtreden van een gebod, schaamte komt van teleurgesteld zijn in jezelf.
Je bent altijd wel ergens schuldig aan: je hebt de geboden gevolgd én overtreden. Is het niet één van de tien, dan toch wel één van de twee (Heb God lief en de naaste). Echter gezien de omschrijving van Rietkerk moet de vraag zijn: heb ik een gebod geschonden dat direct invloed had op het geloof van mijn kind. Dat kan natuurlijk zo zijn, maar het zal meestal niet zo zijn dat het geloof van je kind daarvan afhangt. De pedagoog Ter Horst is er heel duidelijk in: “…wie liefheeft kan pedagogisch gezien niet schuldig zijn” (Van der Kooi & Ter Horst, 2009, p. 42). “Natuurlijk zijn er dingen misgegaan! Maar de vraag waar het echt om gaat is: “Heb je gesjoemeld met de liefde,(…) dat is wat telt” (Ibid. p. 117).
 
Mochten er andere kinderen in je gezin zijn die wel geloven, dan hebben zij hetzelfde meegemaakt als je kind dat de kerk verliet. En toch zijn zij gaan geloven. Zij hebben vergelijkbare ervaringen met jou en met de kerk maar hebben er desondanks toch voor gekozen om in de kerk en dichtbij God te blijven (Van Westen, 2019, p. 11). Het geloof van je kinderen hangt maar voor een heel klein deel van jouw doen en laten af. Er zijn heel veel gelovigen die ondanks een moeilijke jeugd niet van hun geloofsweg af zijn geraakt en in de kerk gebleven zijn.
 
Realiseer je dat je zorgen en verdriet het negatief van je liefde voor je kind zijn. En besef ook dat je invloed veel kleiner is dan je denkt. Dat geeft je soms een machteloos gevoel. Dat is maar al te menselijk, maar dat maakt je nog niet schuldig.
Kijk eens terug in de geschiedenis van Gods volk: waren Adam en Eva schuldig aan het gedrag van Kaïn, was Isaäk schuldig aan het ongeloof van Esau, was David verantwoordelijk voor de keuzes van zijn zonen en zou in de gelijkenis de vader schuldig zijn aan het vertrek van zijn jongste en verantwoordelijk voor de reactie van zijn oudste? Maken die kinderen niet allemaal ook hun eigen keuzen?
 
En toch, wanneer je op zondagmorgen de kerk inloopt, voel je je klein, als je al die complete gezinnen ziet zitten. Zij zijn er allemaal wel: vader, moeder, kinderen en soms ook nog hun aanhang. En even verderop in de kerk zitten opa en oma. Zij moeten toch wel iets heel goed gedaan hebben dat ze nog met zijn allen in de kerk zitten.
En dan al die blijde familiefoto’s op Facebook. Een grote kerkelijke bruiloft, waar iedereen van harte bij is. Niet alleen op het feest maar ook in de kerk. Een feestelijke doopdienst waar grootouders dankbaar bekendheid aan geven. En weer een openbare geloofsbelijdenis waar nu het vierde kind uit hetzelfde gezin belijdenis doet. Je gunt ze hun vreugde, maar bij iedere foto voel je je meer tekortschieten. Je voelt je zo klein worden dat je het liefst maar onopvallend helemaal achterin de kerk zou gaan zitten. Maar die keus heb je niet: jouw plaats is namelijk helemaal vooraan.
Je voelt je schuldig, maar als je de omschrijving van Rietkerk volgt is het eigenlijk een gevoel van schaamte: in vergelijking met de anderen, ben jij voor jouw gevoel de mist ingegaan. Je bent teleurgesteld in jezelf.

Geplaatst in Achtergebleven | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Naast Handelingen 8

De hoogteverschillen waren er on-Nederlands.

Daarom kon ik hen vanaf beneden, boven me op straatniveau, heel goed zien. Ik stond beneden voor de ’tombe van de maagd Maria’ in Jeruzalem en kon de hellemaal in het zwart geklede, orthodoxe, geestelijke boven me goed zien en de orthodoxe gelovige die op één knie, eerbiedig het hoofd gebogen, voor hem geknield zat, ook. De geestelijke leek zich het eerbetoon wat ongeduldig te laten welgevallen, hield hem, haast met tegenzin leek het wel, zijn hand voor. Die hij vervolgens met innige eerbiedigheid kuste. De geestelijke gaf hem geroutineerd een zegen en haastte zich verder. Zonder hem nog een blik waardig te keuren.

Het standsverschil tussen de geestelijke en de gelovige was in mijn ogen ook on-Nederlands

Het standsverschil tussen de geestelijke en de gelovige was in mijn ogen ook on-Nederlands. Het zag er allemaal maar wat arrogant uit in. De geestelijke kwam onvriendelijk en een beetje hautain over. De gelovige -een normaal geklede, moderne jongeman, haast slaafs. Ik vond het er maar naar uitzien: een geestelijke die niet vriendelijk en tegemoetkomend maar zo uit de hoogte met een medemens omgaat. Waarschijnlijk begrijp ik er niets van wat daar gebeurde, ik ben tenslotte niet orthodox, maar het zou naar mijn idee bij ons in Nederland niet begrepen worden. 
Dan merk je pas hoe zeer je Nederlander bent! Wij zijn de mensen van het allemaal gelijk-zijn en niet met het hoofd boven het maaiveld willen uitsteken. Bewoners van de polder, waar alles vlak is en dus naast elkaar ligt. Onze minister-president noemen we Mark (‘he Mark!), onze koning noemen we Alex, onze burgermeester heet Harm-Jan en de dominee noemen we gewoon Wieb. En dat vinden we allemaal prima: ook de minister-president, de koning, de burgermeester en de dominee.

Zijn wij nu te plat?

Zijn wij nu te plat? Bestaat er onder ons niet meer zoiets als respect en ontzag. 
Of zijn we als gelovigen ook zo gelijkwaardig aan elkaar. Ontzag is belangrijk, maar gelijkwaardigheid ook. Ik denk dat daar veel voor te zeggen is, zeker ook uit Handeling 8. Waar de Geest naast een zwarte eunuch uit Ethiopië komt lopen.

Geplaatst in Preken | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

1. Confronterend

Foto door Andrea Piacquadio via Pexels

De dag die iedereen ooit meemaakt in zijn leven, is de dag dat het geloof zijn vanzelfsprekendheid verloor. Dat kan jezelf overkomen, wanneer een golf van twijfels je overspoelt. Een overstroming die allerlei oorzaken kan hebben: een onverwachte kijk achter de schermen, teleurstelling in verwachtingen, of boosheid over onrecht. Voor jezelf kan dat een heftig dieptepunt zijn. Je kunt het er heel zwaar mee hebben als je geloof door je vingers lijkt te glippen.
Maar het is nog veel moeilijker wanneer je dat moet aanzien bij iemand die je dierbaar is.
Getuige te zijn van iets dat je de ander niet toewenst is pas echt zwaar. Anders dan bij jezelf ben je in dit geval een outsider. Je kunt het niet overzien, je hebt er geen invloed op. Toch wil je de ander beschermen. In feite ben je grotendeels machteloos, maar dat besef je lang niet altijd. Het zou zomaar kunnen dat je probeert invloed op dit gebeuren te krijgen. En dan kan er veel fout gaan.
Als vervolg op de inleiding van de vorige keer, nu het eerste hoofdstuk over deze confronterende ervaring. Tussen haakjes staat zo nu en dan een verwijzing naar andere literatuur. Deze bronnen zijn via de knop rechtsboven op deze pagina te raadplegen.

1. Schrik 

Toen ik na het bidden mijn ogen opendeed, keek ik haar recht in het gezicht. Haar ogen waren wijd open en ik besefte dat ze niet meegebeden had. Ik schrok ervan, het was immers niet de eerste keer dat ik dit meende te merken. 

Misschien komt je dit niet zo bekend voor en lijkt het je overbezorgd. Niet iedereen is immers op elk moment een voorbeeld van geloof en je kind staat nog maar aan het begin van haar geloofsweg. Ze moet haar eigen keuze nog maken en de praktijk van het dagelijkse geloven leren. En dat is ook zo natuurlijk. 

Maar als je in je vrienden- of familiekring eenmaal hebt meegemaakt hoe iemand bij het geloof wegdreef, kan het zomaar zijn dat je op je hoede bent voor de eerste verschijnselen van geloofsverlies om er op tijd bij te kunnen zijn voordat het te laat is. Want bij die eerdere keren was er geen praten meer tegen en dreef het geloof van je vriend gestaag uit je beeld tot er niets meer van te zien was. Jullie gesprekken en jouw gebeden hadden daar niets aan kunnen veranderen. Het kwaad was al geschied! En wat blijft is het zelfverwijt: “had ik het maar eerder gezien!”

Je schrik is waarschijnlijk ook te verklaren uit de prioriteiten die je voor jezelf ziet. Je hoopt voor je kinderen dat ze gezond zijn, dat het goed gaat op school, dat ze een plek vinden in de samenleving en dat ze gelukkig worden. En toch, als dat allemaal goed gegaan is, misschien nog wel beter dan je verwacht had (in ieder geval anders dan je gedacht had), maar ze zijn hun geloof kwijtgeraakt, dan is voor je gevoel het verlies veel groter dan de winst. Je opvoeding is pas echt geslaagd als ze voor zichzelf hun geloof in de Heer gevonden hebben. En dat vind je niet omdat je graag als een geslaagde opvoeder gezien wilt worden maar vooral omdat je juist dát het belangrijkste vindt. Immers hoe zal iemand het geluk vinden zonder God (Luc. 9:25)?

En je kent de trend die nu al vele jaren aanhoudt: in Nederland weten veel jongeren de weg naar de kerk, en niet zelden ook die naar het geloof, niet meer te vinden (De Hart, 2014, p. 69v).

Een vanzelfsprekende verwachting dat onze kinderen ons volgen in ons geloof hebben we allang niet meer. En dat zet nog eens te meer druk op onze geloofsopvoeding.

Tegennatuurlijk reactie

Wat doe je als je iets belangrijk vindt? Je houdt het stevig vast! Toen je die ogen van je dochter zag, groeide in jezelf de bijna onbedwingbare behoefte om ‘het bespreekbaar te maken’. De eerste keren dat je het ziet, laat je het nog aan je voorbijgaan, je wilt een gesprek immers in een goede sfeer voeren. Je wilt haar immers helpen, dat is je drijfveer. Daarom zoek je naar een geschikte gelegenheid, zodat je het gesprek in een vertrouwde sfeer kunt voeren. Zodat ze zich veilig voelt en beseft dat ze je alles mag vragen. Je motivatie is groot en diep: je wilt heel graag proberen haar van dienst te zijn met alles wat je zelf inmiddels geleerd hebt.

Wat doe je als je iets belangrijk vindt?
Je houdt het stevig vast!

Maar vindt maar eens een gelegenheid waarin zoiets rustig aan de orde kan komen, het is zo kwetsbaar! Want, hoe doe je dat zo dat het inderdaad tot een goed gesprek komt?

En dan, op een dag, gebeurt het zomaar, wanneer je weer eens die ogen van je dochter ziet, dat je van binnen heel onrustig, terwijl je er uiterlijk heel beheerst uit probeert te zien, bijna achteloos vraagt: ‘bid je niet mee?’ En zij reageert dan bijna direct met: ‘jawel hoor!’
Je gelooft haar niet helemaal, maar je durft niet verder vragen, bang als je bent om haar vertrouwen te verliezen. En als je eerlijk bent is dit ook het liefst wat je wilt horen, dus laat je het er voor deze keer maar bij. Maar dat betekent niet dat je nu gerustgesteld bent.

Een hele tijd geleden sprak ik met een nog nieuw lid van onze gemeente, maar hij was al jaren christen. Hij was vertrokken uit zijn vorige kerk omdat hij en zijn vrouw zich er vreemder en vreemder waren gaan voelen. Bij een bezoek aan onze gemeente vonden ze het ‘oude en vertrouwde’ weer terug. In het kennismakingsgesprek destijds had ik benadrukt dat wij als gemeente niet als belangrijkste doel hadden ‘oud en vertrouwd’ te blijven, ons doel was immers onze Heer te volgen in onze tijd.
Na een jaar of wat vroeg ik hem of hij zijn plek in de gemeente had kunnen vinden. ’”Ja”, was zijn bedachtzame antwoord, maar er was hem wel wat opgevallen, nl. dat wij in de gemeente onze jongeren zo strak aan het lijntje probeerden te houden. “Ze moeten een keer hun eigen keuze maken, daar moet je ze de ruimte voor geven.”

Vasthouden door los te laten, dat lijkt in strijd met elkaar en voor je gevoel is het dat ook. Net zoals je je kind bij het leren fietsen los moet laten zodat het zelf leert fietsen, moet het ook zelf tot een echte, d.w.z. eigen, keuze voor het evangelie kunnen komen. En dat kan alleen als jij er ruimte voor geeft. Die keuze is iets tussen God en je kind. Ze is niet maakbaar en laat zich niet door jou controleren. 

Je kind is geen kind meer, maar een jongere op weg naar de volwassenheid. Toen het nog klein was deed het jou na en leerde zo haar eerste stapjes in het geloof te zetten. Ze wilde graag zoals jij zijn en haar kindergeloof is voor haar ook daarom vanzelfsprekend.  Ze wil een bijbeltje zoals jij dat hebt en ze wil meezingen zoals jij dat doet. Maar als puber probeert ze zich van jou los te maken om het nu zelf te leren. Dat is geen keuze tegen jou, maar een keuze voor haar eigen volwassenheid. Hoewel het voor haar niet zo bewust is als ik het hier beschrijf. Ze voelt het zo, meestal zonder te kunnen zeggen waarom ze het zo voelt. Het lastige is dat jij voor haar gevoel instaat tussen haar en haar zelfstandigheid. Net als jij zo graag eens met haar wilt praten over haar geloof, wil ze er waarschijnlijk niet met jou over praten. Dus luistert ze dan het minst naar jou. Integendeel: ze doet vaak precies het tegenovergestelde van wat jij haar zegt. De pedagoog Wim ter Horst noemt dat ‘omgekeerde gehoorzaamheid’ (Van der Kooi & Ter Horst, 2009, p. 89). Wat je ook doet of zegt, er moet ruimte voor een eigen keuze in zitten, anders werkt het zeer waarschijnlijk net omgekeerd uit.

Wat zou het mooi zijn als er op dat moment iemand anders uit je gemeente het vertrouwen van je dochter heeft, dan zou ze dáár terecht kunnen met haar twijfels en vragen. 

Keuze

De oudste gemeenteleden onder ons dragen nog een herinnering aan ‘vanzelfsprekend geloven.’ in zich mee. Je ging twee keer mee naar de kerk, dat moest van je ouders. Geen wonder want in jouw omgeving ging iedereen twee keer naar de kerk. Geloven leek toen werkelijk vanzelfsprekend, bijna iedereen was immers ergens lid van de kerk. Je ouders vertelden je over God, je ging met hen mee naar de kerk, je ging naar catechisatie en vereniging en als je achttien werd deed je Openbare Geloofsbelijdenis. Zoals vrijwel iedereen dat deed. Het waren enkelingen die afweken van de regel en over hen werd nog lang nagepraat. Door hun gedrag kwamen ze niet alleen buiten de gemeente maar soms zelfs buiten de plaatselijke gemeenschap terecht.

Toch was toen lang niet iedereen die lid werd, diep overtuigd van het geloof. Zelfs niet alle jonge mensen die belijdenis hadden gedaan. Sommigen deden belijdenis om maar van de catechisatie af te zijn. Natuurlijk zeiden ze dat niet hardop, maar ‘off the record’ wisten gemeenteleden dat best. Niet iedereen zat in de kerk omdat ze daar heel bewust zelf voor gekozen hadden, velen ook omdat ‘het zo hoorde’. Voor nogal wat ouders hoorde dat ook bij het proces van tot geloof komen: eerst moest een jongere de wilde haren kwijt raken en als dat gebeurd was kwam de rest van het kapsel op den duur vanzelf wel in model.  Als het leven zich in alle ernst aan hen liet zien, werden zij zelf doorgaans wel serieuzer; ook in hun geloof. En zolang ze maar in de diensten kwamen, kon de Heilige Geest met hen aan werk. Wat niet is kan immers nog best komen. En zo ging het ook: een heel stel jongeren kwam later in de slipstream van het geloof van hun ouders alsnog tot geloof. Dat is het voordeel van in kerkelijke kringen verkeren: je blijft met het evangelie in aanraking.


Gemeenteleden die uit die tijd stammen reageren op de onwillige jongeren van nu wel eens met: “laten ze normaal doen!”. Ze hebbende indruk dat de ouders van nu hun kinderen geen strobreed meer in de weg leggen. Dat hoor je hen soms ook zeggen: de ouders van tegenwoordig moesten maar wat strenger voor hun kinderen zijn. Goed bedoeld, want zo werkte dat in hun jeugd: het was normaal om naar de kerk te gaan, normaal om te gaan geloven.

Geloofsoverdracht is daarom een zoektocht naar de heilzame ruimte waarin de vonk kan overspringen.

Maar als de jongeren van tegenwoordig echt gaan doen wat men nu normaal vindt, laten ze zich niet meer in de kerk zien, net zoals de meeste van hun leeftijdsgenoten in Nederland. Wie nu nog naar de kerk gaat, is juist ab-normaal. Kijk dus maar uit wat je tegen de jongeren in je kerk zegt, straks doen ze het ook nog.

Ruimte

Maar wat kun je eigenlijk wel doen? Hoeveel ruimte is nog gezond? Moet je je kind dan helemaal maar los laten? ‘Er is ruimte tussen generaties, dat kan ook niet anders, maar er is ook ruimte die je beslist niet wilt’, schrijft de Amerikaanse voorganger en docent Eugene Peterson (1994, p. 40/41). Zoals die tussen de muur en een kozijn. Door dat gat kan een kille tochtvlaag je huis binnenkomen. Andere ruimte is daarentegen weer gewenst, ja zelfs noodzakelijk, zoals die tussen de polen van een bougie. Daarvoor geldt: geen ruimte ook geen vonk en dat betekent weer dat de brandstof niet ontsteekt en de motor niet gaat lopen. Dat is niet veel anders met geloven: als de vonk niet overspringt zal je kind nooit zelfstandig kunnen geloven. Als ouders hun kinderen niet de gelegenheid geven hun eigen koers te gaan maar hen strak in hun (eigen) spoor proberen te houden, verhinderen ze hun kinderen een eigen, vrije keuze te kunnen maken (Peterson, 1994, p. 27). En het is een kenmerk van geloven dat je die keuze voor geloven alleen zelf kunt maken, mag je het anders geloof noemen? De kleine Samuël moest zelf antwoord geven op de stem van God die hem riep, dat kon zijn pleegvader Eli niet voor hem doen, zelfs al was hij de hogepriester van Israël. Hij kon zijn pleegzoon alleen maar de weg wijzen naar het goede antwoord (1 Samuël 3). Geloofsoverdracht is daarom een zoektocht naar de heilzame ruimte waarin de vonk kan overspringen.

Machteloosheid (slot)

Deze alinea’s zijn niet bedoeld als een mini-cursus geloofsopvoeding, ze zijn ook geen inleiding op een wetenschappelijk verantwoorde, in de praktijk beproefde en inmiddels bewezen opvoedingstechniek en nog minder een soort ‘eerste hulp bij geloofsopvoedings-ongelukken’. Dat zou de verkeerde indruk wekken.

De waarheid is dat je geen echte controle over de geloofsweg van je kind hebt. De missioloog Stefan Paas (2019) wijst erop dat zelfs de Heer Jezus geen controle nam over het geloof van zijn volgelingen (Joh. 6, 67-68). Hij maakt heel duidelijk dat hun eigen keuze cruciaal is. Het hoort bij de aard van het evangelie dat je er, tenminste vanuit menselijk perspectief, zelf voor hoort te kiezen om de Heer Jezus daarin te volgen. ‘Vrezeloze vrijheid’ noemt Paas dat. Zo laat zich de reactie van de Heer ook typeren, als veel volgelingen hem in de steek laten zeg Hij tegen de leerlingen die nog over zijn: “Willen jullie soms ook weggaan?”. Hij legt de keuze opnieuw bij hen. Het evangelie laat zich niet dwingen. Kinderen moeten kunnen kiezen in een sfeer van ontspannen uitnodiging. Biedt hen, net als je Heer doet, ruimte. Jongeren moeten vrij zijn om te kiezen, juist dan kan het evangelie een onontkoombaar verhaal worden.

Jongeren moeten vrij zijn om te kiezen, juist dan kan het evangelie een onontkoombaar verhaal worden.

Je hebt geen controle over de geloofsweg van je kinderen. Je rol in het geloven van je kinderen is veel kleiner dan je zelf vaak bedenkt. Je kunt alleen maar invloed uitoefenen: ten goede en inderdaad ook ten kwade. Maar desondanks gaat het ene kind geloven en het andere niet, terwijl ze uit hetzelfde gezin komen. Geloven is dus iets van een geheim tussen je kind en God, waar je zelf buiten staat. Dat betekent dat je er beter niet hinderlijk tussenin kunt gaan zitten. Besef dat je op dit terrein maar klein en machteloos bent. Daarom hoort het doorgeven van geloof voor alles in je gebeden thuis.

Maar als het dan niet loopt zoals je hoopt en bidt, is dat dan te verdragen?

Geplaatst in Achtergebleven | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Wie?

…opent en Wie sluit? (Handelingen 5: 12-42)

“Ik herinner me nog dat de straten in Harderwijk op zondagmorgen vol met mensen waren die op weg waren naar hun eigen kerk.”, zei een van de bidders in onze gebedsgroep. We waren in gesprek geraakt over onze kerkelijke gemeenten na Corona. Daarin waren best wat zorgelijke geluiden te horen: komen onze gemeenteleden wel weer terug naar de kerkdiensten nu dat weer kan? Na wat tussenstappen had die vraag zich verbonden met ontwikkelingen die nu al tientallen jaren gaan de zijn in de kerken. 
Nu ken ik Harderwijk niet van vroeger, maar ik herinner me wel hoe zelfs de hoofdstraat van onze kleine Groningse dorp op zondagmorgen bevolkt was met dorpelingen die elkaar al of niet groetend passeerden op weg naar de verschillende kerken in het dorp. Tegenwoordig is het in Harderwijk op de zondagmorgen erg stil. Je bent als een van de weinigen al op de been en probeert een beetje stil te doen om de anderen niet wakker te maken. Je hoort de kerklokken verderop luiden, maar je krijgt niet de indruk dat dit veel uithaalt. Zondagsmorgens ervaar je in Harderwijk echt dat je bij een minderheid hoort. 

Als je die achteruitgang van de kerken nu al tientallen jaren meemaakt, kun je gaan denken dat de kerken in Nederland hun langste tijd gehad hebben. Dat gevoel wordt nog eens versterkt als je met jongeren in de gemeente praat die lessen volgen op hun universiteit of beroepsopleiding. Niet zelden hangt er een wat vijandige sfeer als het gesprek op de kerken of op het christelijk geloof komt. Docenten en ook medestudenten laten hen duidelijk merken dat die bij het bedenkelijke verleden van Nederland horen. Christelijke studenten hebben vaak het gevoel dat ze zich aldoor moet verantwoorden voor hun geloof. Ze herkennen zich niet in het negatieve beeld dat de meerheid van het christelijke geloof heeft. De stilte op zondagmorgen, de tegenwind die je ervaart op je opleiding, kerkleden die hun lidmaatschap van de kerk opgeven kunnen gemakkelijk het gevoel geven dat je als christen bij een verdwijnende groep in de onze samenleving hoort.

Je vraagt je af wat de eerste ‘mensen van het nieuw leven’ in Jeruzalem gedacht hebben toen hun voorgangers steeds weer met de autoriteiten in aanraking kwamen. Hun aantal was spectaculair gegroeid van zo ongeveer 120 tot wel meer dan 3000 leden op een dag, later zelfs tot meer dan 5000. Maar de laatste tijd kwamen er niet echt veel gelovigen meer bij. Hoewel hun beweging nog altijd heel populair was in de stad, durfde zich bijna niemand van hen meer openlijk bij hen aan te sluiten. Er hing een nare spanning in de lucht, die de mensen bang maakten. De religieuze leiding van de tempel was duidelijk niet blij met hun aanwezigheid op het tempelterrein. Ze daagden de leiders van de nieuwe beweging voor het Sanhedrin en verboden hen ‘die naam’ (die van Jezus, maar zij namen die niet in de mond) nog weer in de mond te nemen [Han. 4:17v].

De hoeders van de tempel stonden duidelijk negatief tegenover de beweging van Jezus en hun leiders. De rest van Jeruzalem was belangstellend, maar wilde het niet openlijk opnemen tegen de religieuze leiding. Ze vreesden voor de gevolgen, daar hadden ze al meer van gezien.

Kunnen wij iets leren van die tijd? Als de elite in de samenleving nogal negatief is over het christelijk geloof en de kerken die daaruit ontstaan zijn, kunnen wij christenen dan ook beter maar in dekking gaan als we zoveel negativiteit tegen komen. Of mag je eigenlijk iets anders van ons verwachten?

In de derde aflevering van de serie “De kerk na Pinksteren’ buigen we ons a.s. zondag over Handelingen 5: 12-42. Wees welkom.

Geplaatst in Preken | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

De andere kant van kerkverlating

Photo by Ethan Sykes on Unsplash

Er is bijna geen familie of vriendenkring die het niet heeft meegemaakt dat er dierbaren uit hun kerk vertrokken zijn. Soms is dat naar een andere kerk! Dat is niet leuk, maar je kunt er wel mee leven. Je geloof blijft meestal bespreekbaar, al is men de dingen soms anders gaan zien. Maar je mist elkaar wel: je komt elkaar niet meer tegen in de gemeenschap die je eerder samen deelde.

Veel dieper wordt dat gemis wanneer je ook elkaars levensovertuiging niet meer deelt. Dat is niet alleen voor de kerkverlater pijnlijk, maar ook voor hun relaties die achterblijven in de kerk. Immers met die dierbaren vertrekt ook de vanzelfsprekendheid van hun plaats in die gemeente uit hun leven. Een deel van het leven speelt zich nu voor hen -ook privé- buiten die gemeenschap af.
Terwijl de gevolgen van kerkverlating voor de kerkverlaters de laatste jaren meer in beeld komen, is dat nog niet zo voor hen die achterblijven. Het vertrek van hun dierbaren laat niet alleen een gapend gat achter maar voltrekt zich vaak ook in een grote stilte. We praten er in de gemeente bijna niet over. Om allerlei redenen zou dat wel goed zijn. Vandaar dat ik er in 2021 mijn studieverlof aan wijdde. Leidende vraag: wat kan de gemeente betekenen voor de kerkverlater én voor de achterblijvers. Het resultaat van die studie is uitgegroeid tot een klein boekje.
Voor belangstellenden zal ik dit boekje in gedeelten via deze site ter beschikking stellen Het is mijn hoop dat we – in ieder geval in de NGK Ermelo – een leesgroep kunnen vormen die ervaringen met elkaar kan uitwisselen. Wie weet waar dat weer toe kan leiden. Laat wie belangstelling heeft om deel te nemen in een leesgroep dat aan mij via mail of whatsapp melden. We zouden dan afspraken kunnen maken om in het nieuwe kerkelijke seizoen hierover een aantal avonden door te spreken.

Het vertrek van hun dierbaren laat niet alleen een gapend gat achter maar voltrekt zich vaak ook in een grote stilte. We praten er in de gemeente bijna niet over.

Hieronder het voorwoord en de inhoudsopgave, waarin meer over wat je in dit boekje kunt verwachten.

Vooraf

Het aandeel Nederlanders van 15 jaar of ouder dat regelmatig een religieuze dienst bijwoont is ook verder afgenomen. Van de 15‑plussers ging in 2012 nog 17 procent regelmatig naar een dienst, dit is teruggelopen naar 13 procent in 2020.

Een bericht waarvan je er de laatste jaren wel meer leest. Ze dringen niet altijd goed tot je door. Misschien is dat wel omdat je er niet echt aan wilt. Zoals die ouderling die jaren geleden al eens tegen me verzuchtte: “dat we de zaken niet zo somber moeten zien”.

Maar als je het zelf meemaakt in je naaste omgeving dan heb je die mogelijkheid niet, dan moet je de feiten wel onder ogen zien. Dat kost in veel kerkelijke gemeenten nog moeite genoeg. Je hoort nog heel vaak verzuchtingen in de stijl van die ouderling toen. Toch denk ik dat het inmiddels wel tot meeste kerkenraden en hun gemeenten is doorgedrongen, dat geloven voor de jongeren geen vanzelfsprekendheid meer is. Laat staan bij een kerk horen en die bezoeken. Zelfs niet als ze wel geloven. Het heeft lang geduurd voordat we dat wilden zien, maar meer en meer krijgen we het erover. Regelmatig kun je er tegenwoordig ook over lezen. Van de kant van de kerkverlaters in ieder geval.

Maar over een andere groep hebben we het nog maar heel weinig: die van de relaties van de kerkverlaters, die in de kerk achterblijven. Het vertrek van hun dierbaren, laat ik zo hun vertrekkende kinderen, familieleden en vrienden e.d. maar noemen, betekent ook voor hen het vertrek van de kerkelijke vanzelfsprekendheid. Zij blijven verdrietig, verslagen en soms zelfs boos in hun kerk achter en zijn daar doorgaans heel alleen in. Het gaat veel over de oorzaken van kerkverlating, veel minder over de gevolgen ervan. De laatste jaren hoor je iets meer over het trauma dat het kan zijn voor hen die de kerk verlieten, veel minder gaat het over de verwondingen van hen die achterblijven. Ik weet nog hoe verrast ik was toen ik het boek van de inmiddels overleden theoloog Eugene Peterson, ‘Like Dew your Youth’ las. Dit boek ging nu eens niet alleen over de oorzaken maar over de gevolgen, ook voor de relaties van de jongeren die moeite met de kerk hebben, want daar gaat dit boek over.

Achterblijvende gemeenteleden praten niet zoveel over het vertrek van hun dierbaren. Gevoelens van schuld en schaamte zitten in de weg. En de anderen praten er uit verlegenheid maar met niet met hen over: wat moet je zeggen? En van degenen die het wel doen zou je soms wensen dat ze hun goede bedoelingen voor zichzelf gehouden hadden. Een extra reden voor de achterblijvers om het er verder maar helemaal niet meer over te hebben.

Over hun dierbaren gaat het dan ook niet meer in de gemeente. Na een aantal jaren is het alsof ze er nooit geweest zijn. En dan wordt het pas echt stil voor de achterblijvers. Om hen heen dan, in henzelf is het zelfs na jaren soms nog heel onrustig. Het mag dan zo voorkomen dat de vertrekkers uit het hart van hun broers en zussen in de gemeente verdwenen zijn, natuurlijk zijn ze dat niet uit de harten van de achterblijvers.

Tijdens een pastoraal bezoek gaat het er wel eens over, maar niet vanzelfsprekend. Immers de bezoeker vertegenwoordigt de kerk en in de kerk hebben we het er niet over.

We delen zo’n verdriet meestal niet, zelfs al zijn we leden van dezelfde gemeente. En dat heeft meer gevolgen dan ons lief is. Immers, een dergelijk verlies en gemis is een deel van je wezen. In dat deel van je leven ben je niet met de anderen verbonden. Als gevolg daarvan kom je ook losser te staan van de andere gemeenteleden. Je hoort er niet meer zo bij. Ik beleef dat om meer redenen als een gemis.

Dit boekje is strikt genomen ontstaan als het resultaat van een studieverlof in de zomer van 2021, maar het is in de loop van zo’n veertig jaar gegroeid. In die periode heb ik heel wat mensen uit mijn omgeving de gemeenten waar ik lid van was zien verlaten. Het is min of meer gewoon geworden regelmatig iemand te zien vertrekken, en toch went het nooit. Ook niet dat we er met elkaar bijna nooit over kunnen praten op een manier die goed doet. Hieronder een poging om tot een gesprek met de ‘achterblijvers’ te komen. Persoonlijke reacties op, ervaringen vanwege en gedachten over ‘vertrekkers’ volgen elkaar op in de elf hoofdstukjes die volgen. Stuk voor stuk aanleidingen voor een nader gesprek hierover met vertrekkers, lotgenoten, gemeenteleden en ook God.

Voor een gevoelig thema als dit moet je de juiste woorden vinden. Die heb ik lang niet allemaal in huis.  Ik heb veel geleend van anderen, die indrukwekkend geschreven en gesproken hebben over allerlei aspecten van kerkverlating en gemis. Vaak verwijs ik naar hen in de tekst. Ik ben hen dankbaar voor alles dat ze me gegeven hebben. Achterin het boekje is een lijst met bronnen opgenomen. Zo kan ieder die dat wil heb hen zelf raadplegen.

Wat zou het mooi zijn als veel vertrekkers weer in beeld komen bij hun voormalige gemeenten, omdat we er in slagen over hen te spreken met wie er van hun relaties nog lid zijn van die gemeenten, de achterblijvers. Ook voor hun dierbaren zou het een enorm verschil zijn als ze met hun verdriet in het hart van de gemeente kunnen staan. En voor wie in beeld is, ga je vanzelfsprekend ook weer bidden. En dat is grote winst.

Het is mijn hoop dat deze woorden het begin van gesprekken in de gemeenten van de achterblijvers zijn. Dat die hun gemis kunnen delen, ervaringen kunnen uitwisselen, wijsheid kunnen vinden en -niet onbelangrijk- broers en zussen in de gemeente vinden met wie zij samen kunnen bidden en troost vinden. Dat zou een mooi gevolg van zulke gesprekken zijn.

Wil je hierover praten, laat het me dan weten!

Geplaatst in Achtergebleven | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Mooie droom?

Eigenlijk zou je komende zondag in kringen bij elkaar moeten gaan zitten in de kerkdienst
(En als je nog niet in een kring zit, voor de duur van de dienst even een tijdelijke kring vormen).
Want dit moet je niet alleen lezen of naar een preek hierover luisteren, maar hier moet je samen even over nadenken en praten. Je moet de woorden proeven, beoordelen en laten bezinken en je afvragen: Welke betekenis hebben ze voor ons vandaag?

We lezen het overbekende gedeelte uit Handelingen 2, de verzen 41-47 (begin maar bij vers 37). Over een gemeente die voor de Heer en voor elkaar in vuur en vlam staat. Is dit een heftig gevolg van de komst van de Geest toen, maar moet je dat nu niet meer verwachten? Of het is anders: kun je dit soort gemeenteleven verwachten als we de Geest de ruimte geven? Dat is nogal een vraag, maar het is wel belangrijk die onder ogen te zien.

Over een gemeente die voor de Heer en voor elkaar in vuur en vlam staat. Is dit een heftig gevolg van de komst van de Geest toen, maar moet je dat nu niet meer verwachten?

In het eerste geval is het mooi om naar te kijken, hoe de Geest het leven van mensen totaal verandert. In een eruptie van geloof en liefde. Net zoals een vulkaanuitbarsting een adembenemend gezicht kan zijn. Je komt onder de indruk van de het prachtige gezicht van de gloeiende lava, het loeiende geluid van de vuurpluim boven de krater en de enorme krachten die het landschap veranderen. Je kunt er urenlang naar kijken en diep onder de indruk komen van de krachten die onder het aardoppervlakte schuilen. Maar gelukkig stopt de uitbarsting na verloop van tijd ook weer: onze aarde zou zoveel verandering niet langer aankunnen. Net zo zouden wij de kracht van de Geest nog niet zo ongedempt en ongefilterd kunnen verdragen in onze levens zoals ze nu zijn. Maar we zien al wel wat er in de toekomst mogelijk is en daar kunnen we nu al warm van worden.

Kan deze tekst iets betekenen voor ons gemeenteleven nu? Zo ja, wat dan? Zo nee, waarom kan dat niet meer zo.

In het andere geval is het een signaal dat we ingeslapen zijn. Deze eerste christelijke gemeente laat ons zien hoe het gemeenteleven kan zijn als we de Geest de ruimte geven. Die kracht die dan vrijkomt zou ons (gemeente)leven naar een hoger niveau tillen en ons samenleven in onze gemeenschap enorm verrijken.
Gaat het hier over een constante stroom van kracht, zoals een stevige stroom water het wiel van een watermolen in beweging brengt. Die kracht drijft allerlei andere instrumenten aan, zoals maalstenen, boomzagen, en oliepersen. De kracht geeft ons mogelijkheden die we anders niet tot onze beschikking zouden hebben. Zij drijft de kracht van de Geest ons aan om instrumenten van de Geest te kunnen zijn in onze gemeenschap en ze geeft ons mogelijkheden die ons anders niet ter beschikking stonden.
Echter zoals we het hier lezen, is het bij ons meestal niet. De vragen worden dan andere: wanneer is dit soort gemeenteleven verloren gegaan? En wat verhindert de Heilige Geest om bij ons ook zoiets los te maken? Of lees:welke hindernissen hebben wij opgeworpen, waardoor de Geest de ruimte niet krijgt in ons midden?

Hoe dan ook, zo’n krachtig gemeenteleven ontstaat niet vanzelf, dan zou het er nu nog wel net zo zijn. En je bewust te zijn van deze geestelijke krachten, haar mogelijkheden te kennen en er naar te verlangen is blijkbaar ook niet genoeg. Immers drie jaar geleden hebben we het ook al eens over deze tekst gehad en helemaal uitgeplozen wat van belang is om dicht bij deze Geest te blijven: bijbellezen, met elkaar optrekken, bidden en de tafel delen.
Een jaar daarvoor was een preek over deze tekst op het gemeenteweekend zelfs de aftrap voor het jaarthema: ‘een levende gemeente!’ Het gaat hier over samen ontvangen, samen leren, samen eren, samen leven en samen zorgen was het toen. Ik begon mijn preek toen met een mooie droom over hoe dit in onze tijd in onze gemeente er uit zou kunnen zien. Veel van jullie reageerden daar toen enthousiast op. Zijn jullie nog enthousiast over die droom? Of breekt het ons bij de handen af. Hoe komt dat dan?

Veel vragen heb je, zullen jullie zeggen. Maar ik hoop dat we komende zondag deze tekst niet alleen weer eens aan de orde krijgen (misschien is het wel de zoveelste keer in je leven), maar hierover ook verder aan de praat komen. Kan deze tekst iets betekenen voor ons gemeenteleven nu? Zo ja, wat dan? Zo nee, waarom kan dat niet meer zo.
Is dit gemeenteleven van deze eerste gemeente alleen maar een mooie droom of kan het ook voor ons het begin van groei zijn.

Wees welkom zondag voor het gesprek, ik zie er naar uit.

Geplaatst in Preken | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen