Vandaag is het ruim een uur langer licht dan het op 1 januari was. Gelukkig, de dagen worden weer lichter, de donkerste periode van het jaar ligt achter ons. Het wereldgebeuren lijkt zich precies de andere kant op te bewegen. De tijden worden steeds donkerder. Aldoor weer nieuw geweld boven op het geweld dat er al was. Deze maand kwamen Venezuela, Iran, Koerdisch Syrië bij al die andere oorlogen. Het zijn donkere tijden, waarin opnieuw gesproken wordt over de invloedssferen van de grote machten. De ouderen onder ons kunnen zich dat nog goed herinneren van de Koude Oorlog in de vorige eeuw. Alleen, was het toen zo chaotisch als het nu is?
We verlangen naar het licht. Niet alleen naar daglicht maar ook naar ‘levenslicht’. We geloven dat onze Heer ons naar het licht zal brengen. Maar hoe komt zijn licht binnen in het donker van onze tijd?
In de tijd waarin de Heer voor het eerst van zich liet horen, waren het ook donkere tijden. De landen in het Midden-Oosten gingen gebukt onder de bezetting door Rome. Dat had een kwade invloed op het volk van God. Kan wat de Heer in die periode begon ons iets vertellen over het levenslicht in ons tijd?
‘Christenen mogen wel wat stoerder worden.’ Dat geluid hoor je de laatste tijd vaker om ons heen. We moeten onszelf verdedigen tegen de aanvallen van de vijand, kun je zelfs horen zeggen.
In een toespraak voor christenen in Gouda, kon je de afgelopen maand uitspraken horen als: Er moet een cultuuroorlog tegen de politieke islam en het woke-denken gewonnen worden. De vijanden zijn: de politieke islam en het woke-denken. We moeten het land terug veroveren op de krachten die het bedreigen. Er is behoefte aan een offensief ( = aanvallend) christendom Er moet krachtigopgetreden worden, niet de andere wang toekeren.
Hoe kijken jullie daar nu tegen aan? In de dienst zondag zal ik jullie ernaar vragen.
Vorige week vrijdag werd de evangelist Tom de Wal opgepakt in Tilburg. Veel christenen maken zich daar zorgen over. Word je, als christen, niet meer door anderen verdragen? Tom had het zelfs over ‘vervolging’.
Natuurlijk hebben we daar allemaal zo onze eigen gedachten en gevoelens bij. Maar het is belangrijk wat de Heer Jezus daarvan vindt. In het zesde gebod staat: ‘Pleeg geen moord!’ Nou dat doen we niet, toch! Maar hoe legt de Heer Jezus dat gebod eigenlijk uit? Dat kun je lezen in Mat. 5, 21-26.
We leven helaas in een tijd dat we naar vrede verlangen. Vrede voor de mensen die het slachtoffer van oorlogsgeweld zijn geworden. Sommigen zijn dat al decennia lang, maar buiten ons beeld geraakt. Anderen inmiddels ook alweer jaren, er is een nauwelijks dag dat we er niet mee bezig zijn. Daarvoor is de oorlog te dichtbij gekomen.. We zijn ongewild getuigen van onvrede.
Ook zijn er allerlei mensen die vrede willen stichten. Sommigen noemen zichzelf zelfs een ‘president van de vrede’ Dat zou ons hoop moeten geven. Toch zijn we verder af van vrede dan in de jaren hiervoor. Mag wat zij vrede noemen eigenlijk wel vrede heten?
Vrede is iets heel groots en heeft betrekking op een heel volk Maar ook iets heel kleins, dan gaat het een persoon of een gezin aan. Daar kan de vrede ook zomaar verloren gaan: in de onderlinge verhoudingen, maar ook door zorgen over inkomen of over gezondheid. En dan is er soms maanden geen rust meer te vinden. En dat put mensen uit en doet hen verlangen naar vrede. Even geen onrust, even geen zorgen.
Ja, vrede is veel meer dan geen oorlog. Vrede is de ruimte hebben om te leven in veiligheid en er op te kunnen rekenen dat je recht gedaan wordt. Ja, vrede is ook dat je niet bang bent voor onpersoonlijke machten, zoals het natuurgeweld dat nu overal slachtoffers maakt.
Vrede is een kwetsbaar goed! En zelfs als je in vrede leeft, wil dat zeggen dat je niet te leiden hebt van ziekte, van oorlog of van natuurgeweld. Dan nog kan je persoonlijke vrede bedreigd worden door de onvrede van anderen. Immers, daar zijn we ook elke dag getuigen van: van hun moeite en zorgen en hun ziekte.
Vrede op aarde! Wat kunnen we daarnaar verlangen! Niet alleen de ruimte om te leven, maar ook de mogelijkheden om volop te leven. Zonder al die zorgen.
Vele organisaties proberen de vrede te bevorderen. Daar kun je alleen maar respect voor hebben. Helaas maakt de vrede nog niet tot een bestendig situatie. Immers, wat in tientallen jaren gewonnen is, kan in enkele jaren weer helemaal verloren gaan. En dan moeten we met elkaar weer helemaal opnieuw beginnen. Te beginnen bij: nooit meer oorlog! Hoe vaak zal dat al gezegd zijn!
Toch is ons vrede gegarandeerd. Er is een leider op deze wereld die dat heeft toegezegd. Maar lang niet iedereen oriënteert zich op Hem. Voor velen lijkt het alsof van Hem geen vrede gekregen kan worden. Zelf zij die bij Hem horen zien niet altijd hoe Hij voor de vrede van betekenis kan zijn. Maar krachtiger dan Hij de vrede beloofd, zul je het onder ons mensen niet horen.
Er zijn christenen die vinden dat je niet moet huilen bij een begrafenis. Je overleden dierbare is immers de heerlijkheid binnengaan. Waarom dan nog getreurd? ‘Dat mag zo zijn’, zeggen we dan, ‘maar wij zijn hier nog en huilen om het gemis.’ ‘Alles wordt nieuw’ is ook als troost bedoeld. Maar, kan het dat ook echt voor ons zijn? Immers, wij leven nog midden tussen het oude, Aan deze, niet-nieuwe, kant van de werkelijkheid. Soms willen het verdriet van een ander te snel weg troosten, Dat moeten we, denk ik, toegeven. Toch denk ik dat deze tekst en het gedeelte waaruit hij komt, wel degelijk vol troost voor ons kan zijn. Als we de moed hebben en de tijd nemen die uitspraak op ons in te laten werken, wel denk ik. Welkom zondag, in de dienst ter gelegenheid van Eeuwigheidszondag.
Lees hieronder de preek zoals die op Zondag 23 november gehouden is.
“Wees altijd verheugd, bid onophoudelijk, dank God onder alle omstandigheden, want dat is wat Hij van u, die één bent met Christus Jezus, verlangt.”, schrijft Paulus aan de gemeente van Tessalonica in Griekenland. (1 Tessalonicenzen 5, 16-18) We begrijpen het heel goed dat we God veel te danken hebben. Natuurlijk alles wat we van hem krijgen, de manier waarop hij voor ons zorgt. Maar ook wie we voor Hem zijn, wat Hij ons als mogelijkheden geeft. Vooral in ons land hebben we doorgaans meer dan we nodig hebben. Tenminste de meesten van ons. We hebben veel om God voor te danken. En dat gaan we zondag ook doen!
En toch…’altijd’, ‘onophoudelijk’,’ onder alle omstandigheden’, dat heeft ook iets griezeligs. Alsof de ellende en het kwaad in deze wereld er niet meer toe doen. Moet je dan God onder alle omstandigheden danken? Worden we zo geen karikatuur van onszelf. Het staat er wel : ‘dit is God wil voor jullie’. Het kan niet zo zijn dat God van ons verlangd dat we ons helemaal niets meer van ellende en kwaad aantrekken. Er is te veel wat daar tegenspreekt. Als we alleen maar onze gevoelens over ellende en kwaad hoeven weg te drukken en die stoïcijns moeten leren dragen, waarom doet God dan zoveel moeite om het kwaad uit de wereld weg te doen? Waarom betaalt hij dan zo zo’n hoge prijs in het offer van zijn Zoon? Maar als het dat niet is, hoe wordt het hier dan bedoeld? Dé dag omdat je dat af te vragen is natuurlijk onze dankzondag. `Jazeker we hebben heel veel redenen om God te danken (bedenk die eens voor jezelf) Maar er zijn ook van die omstandigheden dat je dankbaarheid tussen de kieren van de planken vloer weg zakt, omdat het gewoon heel moeilijk is om God onder alle omstandigheden te bedanken. (Haal deze ook eens weer voor de geest). Of ziet Paulus een reden waarom dat dan toch zo zou zijn. Op deze zondag probeer ik deze vraag vanuit een ander perspectief te zien. Ik roep daarbij de geschiedenis die beschreven staat in. 2 Samuel 24 te hulp.
Ik wil jullie nu al uitnodigen om ook over deze vraag na te denken. Hoe vind jij deze opdracht die Paulus ons via die gemeente in Thessaloniki geeft?.is dit een vanzelfsprekendheid, een dure plicht of een loden last.
Fijn zou ik het vinden als jullie mij van tevoren al onderwerpen voor het dankgebed willen toesturen. Dat mag via mijn WhatsApp ja je mag het ook voor iedereen zichtbaar op in de Scipio app zetten. Zo kunnen wij jullie zondag werkelijk’ voorgaan in dankgebed.’
Ik hoop jullie zondag te ontmoeten.
De preek zoals die op 9 november in onze gemeente is gehouden:
In het jaar 520 profeteerde de profeet Haggai dat de in de provincie Judea teruggekeerde ballingen hun prioriteiten juist moesten stellen. Niet eerst proberen zelf te overleven en dan ruimte maken voor de Heer, maar eerst ruimte maken voor de Heer en zo je leven weer op kunnen pakken Een belangrijke profetie, ook voor ons! Zoek liever eerst het Koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, en al het andere zalje erbij gegeven worden First things First, zeggen de Engelsen. Dat betekent dat we onze natuurlijke neiging als mensen soms moeten onderdrukken. Niet eerst zelf doen, maar eerste de Heer zoeken. Geef voorrang aan de bouw van het Koninkrijk.
Tientallen jaren later is de tempel dan daadwerkelijk herbouwd. Een schaduw is ze vergeleken met haar indrukwekkende voorganger. Maar ze is er weer. Toch is 75 jaar (445 v Chr.) later de toestand van Jeruzalem nog erbarmelijk. De stad is nog grotendeels verwoest, de poorten en de muren liggen in puin en de bewoners zijn uitgeleverd aan de invloeden van de machthebbers om hun heen. Wat komt er dan terecht van de belofte van de Heer, dat er uitgaande van de tempel weer voorspoed en welvaart zou zijn?
De hoveling van de koning, Nehemia, weet van de toestand van Jeruzalem. Hij trekt zich dit vreselijk aan, maar wat kan hij eraan doen? Hij zit duizenden kilometers verderop in de Perzische hoofdstad. Toch blijft de gedachte aan Jeruzalem zijn dromen vullen. Kan een droom aan het begin staan van een verandering? Daarover zullen we het zondag gaan hebben.
Woningbouw en migratie noemt men wel als de twee belangrijkste onderwerpen in de aanstaande verkiezingen. Vanuit ons Nederland is daar wel iets voor te zeggen, maar op wereldschaal lijken er heel andere problemen belangrijk. Wat je als het belangrijkste in onze Nederlandse samenleving beschouwt, hangt dus maar af van de grootte van het plaatje dat je in beeld hebt.
Dat geldt op veel meer terreinen in ons leven. Wat zijn de belangrijkste zaken in ons leven? Ook dan is het maar net wie je spreekt. Velen zullen zeggen: zorg dat je een goeie opleiding doet, dat je een aantrekkelijke baan vindt, een eigen dak boven je hoofd hebt en gezond leeft, dan heb je al heel wat bereikt. En als je hard werkt dan kun je nog veel meer bereiken. Dat klinkt als de Amerikaanse droom. Er kan veel als je maar wilt werken.
Is dat ook voor kinderen van God het belangrijkste in het leven? Als je de eerste vraag van de Katholieke Catechismus erbij neemt, dan komt op de vraag: ‘Waartoe zijn wij op aarde?’ het antwoord: ‘we zijn op aarde om God te dienen en daardoor in de hemel te komen.” De Westminster Catechismus antwoord op de vraag: ‘Wat is het voornaamste doel van het leven van de mens?’ “Het voornaamste doel van het leven van een mens is de verheerlijking van God en eeuwige vreugde in Hem te hebben.” Dat lijkt op het eerste gezicht een heel andere antwoord.
Als je de profetie van de profeet Haggai erbij pakt dan is het voornaamste wat het volk van God moet doen: het huis van God weer opbouwen. Na de grote deportatie naar Babylonië, weer teruggekomen in hun eigen woongebied, zijn ze begonnen bij het begin: het weer opbouwen van hun dorpen en steden met daarin hun huizen; zorgen voor de landerijen en te proberen weer een opbrengst van het land te krijgen. En natuurlijk moest dat huis van de Heer er ook weer komen, maar daar zijn ze voorlopig nog even niet aan toe. Eerst moeten ze weer levensvoorwaarden voor zichzelf scheppen. Wij kunnen ons daar van alles bij voorstellen. Dat is een aanpak die uit het realisme van het overleven van mensen naar voren komt. Dat zie je ook in de Gazastrook, te midden van de puinhopen moeten eerst het voedsel en het onderdak geregeld worden. De moskeeën komen later wel weer.
De profeet Haggai heeft voor Gods volk een andere boodschap: bouw eerst het Huis van de Heer weer op. Welke betekenis heeft die boodschap voor hen? En schuilt hierin ook een boodschap voor ons?
Poerim is het feest van de opluchting. Het feest waarop zelfs de burgemeester licht dansend over straat huppelt. Er is me verteld dat je in Israël de meest ernstige rabbi’s licht aangeschoten over straat kunt zien gaan tijdens dit Poerim feest. Het is het feest van de wonderlijke bevrijding, waarbij iedereen over straat zwiert en urenlang host zo om ruimte te geven aan de enorme opluchting na een diep dreigende tijd van oorlog en geweld. Als noorderling ken ik het niet zo, maar Carnaval lijkt mij het feest dat er het dichtstbij komt. Uitbundig feesten omdat het weer kan. Het is het feest van de Onverwachte Wending. De ondergang die onafwendbaar leek wendt onverwacht zich naar een enorme bevrijding.
Hoe zou Israël dit jaar het Poerimfeest gevierd hebben? Terwijl de gijzelaars nog vastzitten en een oplossing nog ver uit beeld is. En het geweld maar doorgaat en maar doorgaat. Het is nodig, horen we uit Israël, dit geweld is onze zelfverdediging. En daar raakt de actualiteit aan de geschiedenis van Esther. Een gedeelte van het boek Esther is deze zondag de tekst van de preek. Want toen mocht het Joodse volk zichzelf ook verdedigen. Dat is de overeenkomst, zijn er ook verschillen? En wij, ook Israël, wat betekent dit voor ons? Nu we in ons land en om ons land heen de tegenstellingen zien toenemen?
Ik hoop jullie zondag te zien.
Hieronder de tekst van deze preek zoals die op 5 oktober 2025 gehouden is in NGK De Oever Ermelo.
In de zomer van 2025, tijdens mijn studieverlof, ben ik op zoek gegaan naar wie we zijn als christenen in de Nederlandse Gereformeerde kerken. Die zoektocht kwam voort uit een heel persoonlijke vraag: wie ben ik eigenlijk, in deze kerk, in deze samenleving? Ik vroeg me af wie wij als gemeenteleden voor elkaar zijn, wat ons bindt, maar ook wat ons soms uit elkaar drijft. Wat is nu typisch Nederlands Gereformeerd aan ons? Tegelijkertijd vroeg ik me af: welke invloeden spelen er eigenlijk onder ons? Waar liggen onze sterke punten, en waarin zijn we juist kwetsbaar? Het zijn grote vragen die in vijf weken natuurlijk onmogelijk te beantwoorden zijn. Toch hoop ik in deze periode een aantal aanzetten te kunnen ontwaren, die een scherper beeld geven van onze identiteit als christenen in de Nederlandse Gereformeerde kerken– en misschien ook van mijzelf.
Ik wil beginnen met mijn eigen ervaring van het kerkelijke klimaat dat op de achtergrond meespeelt. Wat stuurde destijds mijn beleving van bijv. het avondmaal en breder: mijn beleving van mijn plaats in het geheel van de gemeente en de kerk?
Het is allereerst goed om op te merken dat in de jaren 70 van de vorige eeuw het geheel van de kerk in mijn beleving kwam vóór ‘wat ik ervan vond’. Er was een kerk, die werd in onze gemeente beleefd als vaststaand, georganiseerd rondom bepaalde gedachtengangen die algemeen instemming kregen en rondom bepaalde regels die algemeen gevolgd werden. In mijn beleving was er sprake van grote eensgezindheid. Dat had ook te maken met mijn positie in het leven toen. Ik was een kind en moest nog volwassen worden. Daarbij was niet van belang wat ik er zelf van dacht, maar zoals het hoorde te zijn volgens de volwassenen. Dat was toen het opvoedingsklimaat en voor mij het uitgangspunt van het denken en beleven.
Ik leefde ook in een wereld die vrijwel helemaal rond het kerkgenootschap, waarbij wij toen hoorden, was gegroepeerd. De school waarop ik zat, ging uit van een schoolvereniging die exclusief uit leden van ons kerkgenootschap bestond, de docenten op school waren ook allemaal lid van dat kerkgenootschap evenals de leerlingen op school. Bij hoge uitzondering werd daarvan afgeweken. Mijn leven speelde zich daarom ook door de week af binnen het kerkgenootschap. Op school kregen wij als het om het geloof en de kerk ging, dezelfde boodschap -misschien een nog wel wat strengere opvatting ervan mee, als thuis en in de kerk. Later toen we het middelbaar onderwijs bezochten, werd dat nog sterker. Ook toen ging ik naar een school die uitging van ons kerkgenootschap met dus dezelfde uitgangspunten, als het ging om het bestuur, de docenten en de leerlingen. Maar daar kwam nu ook de catechese bij, de lessen die door de dominee van onze kerk werden gegeven als geloofsopvoeding aan de jongeren van onze kerk. Iedereen moest toen naar de catechisatie, zoals dat toen heette. Je moest eenvoudig van je ouders en dat werd ook in de gemeente van ons en van hen verwacht. Catechisatie kwam vóór al je andere verplichtingen: huiswerk, sport of muzieklessen e.d. Je zou kunnen zeggen, dat er voor ons niet echt een alternatief was. Onze wereld was exclusief vrijgemaakt en een andere keuze werd ons niet aangeboden. En die was er dan ook niet, denk ik, in onze beleving. Tenminste, eerst niet.
Dat klimaat van grote eensgezindheid, speelde ook op het niveau van de volwassenen een rol. Of dit allemaal ook persoonlijk zo beleefd werd, is de vraag, maar het deed zich, naar buiten toe, wel zo voor. Sowieso was het kerkelijke gesprek zo georganiseerd dat er enkele landelijke smaakmakers en opinieleiders waren die zoveel invloed hadden dat hun standpunt in allerlei kwesties al snel hét standpunt binnen het hele kerkgenootschap was. Zij werden daarbij geholpen door hun eigen media: er was een dagblad dat door de meeste gezinnen gelezen werd, naast enkele kerkelijke bladen die ook als wenselijk werden beschouwd voor de leden van ons kerkgenootschap. We hadden een ’eigen’ politieke partij en allerlei ‘eigen’ maatschappelijke organisaties die gerund werden door leden van het ‘eigen’ kerkgenootschap. De kerk van mijn jeugd was vrijwel in alle opzichten een zelfstandige zuil in Nederland.
Leven in een zuil maakte dat ik een andere jeugd had dan veel andere jongeren in ons land -en zelfs dan die in ons dorp- toentertijd. Ik ging bijv. naar een streekschool in een naburig dorp en niet naar de dorpsschool. We leefden als het ware in onze eigen bubbel en wat daarbuiten gebeurde had niet zoveel invloed op ons (dachten we), tenminste maar matig. De opkomst van een massamedium als de TV zorgde wel voor nieuwe en andere invloeden.
In de kerk van mijn jeugd was de verwachting vanzelfsprekend dat de kerkleden de standpunten die landelijk waren ingenomen over allerlei kwesties in het geloof en in de kerk, zouden overnemen. Van de jongere leden van de kerk werd verwacht dat zij naar deze, algemeen geaccepteerde, opvattingen zouden toegroeien. Dat was de normale gang van zaken. Er was een sterk ‘wij-zij’ gevoel. En dat betekende toch wel dat er met een zeker wantrouwen naar de ’buitenwereld’ werd gekeken. Zelfs buitengewoon vijandig naar sommige andere kerkgenootschappen. Achteraf gezegd had dat had vaak te maken met ervaringen uit het verleden. Contacten en vriendschappen, laat staan liefdesrelaties buiten de eigen kring, werden niet aangemoedigd, ja zelfs afgekeurd. We leefden in een eigen wereld en zo hoorde het ook. Natuurlijk lag het voor verschillende kerkleden, waaronder mijn ouders, allemaal wat genuanceerder. De soep wordt nu eenmaal niet altijd zo heet gegeten als ze wordt opgediend. Maar niet de nuance maar de norm bepaalde het kerkelijke klimaat.
In de jaren zestig voltrok zich een breuk binnen ons kerkgenootschap. Misschien wel juist op dit punt. Er waren namelijk kerkleden die zich niet zo exclusief wilden opstellen als het de praktijk was geworden binnen onze kerken. En toen zij dat en plein publiek tot een gesprekspunt proberen te maken, leidde dit uiteindelijk tot een breuk. Er ontstond een ander kerkgenootschap naast het onze en op welke wijze een jongere daar opgroeide kan ik niet uit ervaring zeggen. Maar ik denk dat binnen deze Nederlands Gereformeerde Kerk een wantrouwen tegen al te collectieve gedachtengangen en opvattingen was gegroeid. En dat heeft dan weer tot gevolg dat er waarschijnlijk een grotere variatie aan opvattingen was binnen deze afsplitsing van de vrijgemaakte stam.
En nu dan…?
Ja, en dan, hoe is het klimaat nu, vijftig jaar later, nadat de kerken opnieuw gefuseerd zijn? Wat hebben we achtergelaten in het verleden en wat nemen we mee naar de toekomst? Daar is m.i. niet zo bewust over nagedacht. Als ik nu om me heen kijk dan valt mij op dat een grote variatie aan opvattingen tegenwoordig gewoon is. Ook is er een en behoorlijke variatie in levenspraktijk te zien. Sommigen zijn van mening dat er een grasduincultuur gegroeid is. De meeste leden van onze geloofsgemeenschap oriënteren zich persoonlijk, zelfstandig op hun geloof. Ze kiezen daarbij voor diverse bronnen, net waar men een voorkeur voor heeft. Daarbij is de bijbel altijd nog wel centraal, maar niet meer zo bekend als eerder. Belijdenisgeschriften spelen in de afwegingen. in mijn ervaring athans, geen grote rol. Ja en dan zijn de bronnen veelvuldig. Als ik alleen al naar onze gemeenschap kijk, dan zijn er mensen die zich bijvoorbeeld laten inspireren door de charismatische beweging New Wine. Binnen die beweging is er een sterke nadruk op het werk van de Geest, volgens de interpretatie van New Wine: dat wil zeggen een sterke nadruk op het ministry-gebed (dat is een profetische vorm van gebed), en allerlei andere bijzondere geestelijke gaven als tongentaal en de gave van genezing bijvoorbeeld. Die opvattingen worden met een grote vanzelfsprekendheid de gemeente binnengebracht en daar gepraktiseerd. Verder is er wat betreft de kerkelijke muziek een groeiende aandacht voor eigentijdse worshipmuziek. Die op aanbidding gerichte muziek (een heel andere vorm van eredienst) komt nu naast de andere, vaak oudere vormen, van eredienst voor. De psalmen van Genève en de liederen uit het Liedboek spelen daar weer een grotere rol. De inkeer en verstilling uit die liedcultuur schuurt aan tegen- en botst soms met- de veel uitbundiger aanbiddingsmuziek, die op geloofsexpressie is gericht. Een botsing van liedculturen die zich voortdurend voordoet in onze gemeenschap en regelmatig aanleiding is voor een stevige discussies. Voor beide is wat te zeggen, maar wat mij vaak opvalt is dat ook deze variatie zich nu vaak op het praktische vlak voordoet, zonder dat de achtergrond hiervan bewust besproken of verwerkt wordt.
Verder denk ik dat er veel meer invloed is van vanuit de massamedia en ook via de sociale media. Die invloed is er sowieso en ook heel breed van karakter. Wat er in het medialandschap speelt, is ook van invloed op wat er binnen onze kerken speelt. Eén van de omroepen die een sterke invloed heeft gekregen binnen onze kerken is de EO (Evangelische Omroep). Wat er daar speelt, speelt ook al gauw binnen onze kerkgenootschap. En dan zijn er allerlei apps afkomstig uit vele christelijke achtergronden, via welke kerkleden zich laten informeren.
Bovendien is er nu het nieuwe kerkgenootschap: de Nederlandse Gereformeerde Kerken, de fusiekerk. In hoeverre wat daar landelijk speelt -op het niveau van het kerkverband- nog plaatselijk invloed heeft valt te bezien. Hier en daar zal dat wel zo zijn. Maar feit is ook dat wat er landelijk speelt, plaatselijk veel minder invloed heeft dan vijftig jaar geleden; alleen al omdat men de ontwikkelingen daar niet meer zo volgt. Niet exclusief althans. Als het al bekend is wat er landelijk speelt, is het één van de standpunten geworden waaruit een gemeente(lid) kan kiezen.
Als ik kijk naar het onderwijs aan de kinderen van onze gemeente, dan is daar ook een grote variatie in te zien. Over het algemeen gaan de kinderen naar christelijke scholen, maar wel naar algemeen christelijke scholen, d.w.z. niet exclusief gebonden aan een bepaald kerkgenootschap. In ons geval zijn dat ook verschillende scholen, afhankelijk van de plaats waar ze staan. We zijn nl. een streekgemeente en onze leerlingen bezoeken ook scholen uit de hele streek. Zoals wij vroeger, dezelfde scholen deelden en elkaar ook van die scholen kenden -zelfs regionaal- is dat nu meestal niet meer het geval.
De catechisatie bestaat niet meer bij ons, die is vervangen door clubs, vooral geleid door gemeenteleden waaronder de dominee. Het bezoeken van clubs is gewenst, maar toch een eigen keuze. Anders dan vroeger ziet men dit meer als een service die de kerkelijke gemeente biedt en waar men gebruik van kan maken. Een deel van onze jongeren neemt, hoewel ze uitgenodigd zijn, niet deel aan de clubs.
Als ik dit allemaal samenvat, leven we nu in een gemeenschap waarin sterk gevarieerde opvattingen leven over christen zijn. Ook over hoe we kerk zijn, of zouden moeten zijn. En over hoe de kerkdiensten beleefd worden en gewenst zijn. Kortom, het wordt soms een vraag wat wij eigenlijk gemeenschappelijk hebben? En nu de invloed van Bijbelstudie afgenomen is, is het de vraag of we elkaar nog kunnen vinden op veel terreinen in ons geloven. Ik heb de indruk dat het in het algemeen minder om geloofsopvattingen (daarmee bedoel ik geloofsinhouden) is gaan draaien en meer om persoonlijke sympathieën. De redenen om lid te zijn van een bepaalde kerk of een bepaalde gemeente, lijken tegenwoordig ook meer te maken te hebben met persoonlijke voorkeur en het klimaat binnen een gemeente dan met de inhoud van de boodschap. Dat maakt een gemeente tot een veelkleurig gezelschap. Zeker als men in overweging neemt, dat verhuizen van het ene kerkgenootschap naar het andere een stuk gebruikelijker is geworden. In onze gemeente komen kerkleden overal vandaan kun je wel zeggen en vertrekken ze ook weer overal naartoe. Of nergens heen, die trend wordt helaas ook bij ons zichtbaar, zeker na de Corona-periode. In vergelijking met eerder is het beeld totaal veranderd en wordt het een vraag hoe wij inhoud kunnen geven aan wat ons gemeenschappelijk bindt. We zullen allemaal zeggen dat Jezus Christus centraal staat in ons geloven, maar wat we daar mee bedoelen ligt veel gevarieerder, verwacht ik.
De vraag is: hoe kun wij ons hiervan op een vruchtbare wijze van bewustworden en over in gesprek komen?
Wat is de leukste, spannendste en mooiste uitnodiging die je ooit gehad hebt? Of welke uitnodiging zou je wel heel graag willen krijgen? Misschien wel voor het feest van een bepaalde vriendengroep, of om te spelen als belofte voor de toekomst bij één van de eredivisie clubs of dat je wordt uitgenodigd om mee te spelen in een bepaalde muziekgroep of om mee te doen in een bekend dansensemble. Natuurlijk was de uitnodiging van je opa en oma voor hun grote feest ook ontzettend leuk.
Maar als je moet kiezen, wat is dan de leukste, dus spannendste of de mooiste uitnodiging die je ooit gehad hebt? Ik kan je vertellen: die uitnodiging heb je al gekregen. Misschien begrijp je nu al welke ik bedoel. Anders zal ik je het zondag wel vertellen. En ook waarom die uitnodiging nou juist leukste, spannendste en mooiste is. Mooier dan al die andere? Ja, mooier dan al die andere.
Tot zondag.
Hieronder de preek zoals die deze zondag is gehouden:
Het idee voor de titel boven deze preek heb ik uit het boek ‘De Uitnodiging’ van W. Paul Young dat in Nederland in 2008 verscheen. Een boek dat gaat over God, de Drie-ene, en dat zeer tot de verbeelding spreekt. Het leest als een triller, het heeft vele mooie scenes, maar er zit ook een idee achter waar ik meer moeite mee heb. Ik heb in 2009 een recensie van het boek geschreven, die je hieronder kunt lezen.