“Grote plannen!” Zacharia 8

“Grote plannen!” Als wij deze woorden uitspreken zit daar al iets van ongeloof in. We horen wat iemand zegt, maar we zien niet hoe hij het wil realiseren. Waarschijnlijk blijft het bij -inderdaad- grote plannen.

Sommige idealen hebben iets van een mooie droom, maar -denken we dan- daar zal het ook wel bij blijven. Dat geldt zeker voor de realisten onder ons; zij zien het gewoon niet gebeuren. Ze wegen alle belangrijke factoren: de beschikbare tijd, de hoeveelheid motivatie, de benodigde fondsen en de vereiste menskracht en komen dan tot de conclusie: ‘dat gaat niet gebeuren!’

“Grote plannen!” In de kerk hebben we die soms ook. En die houden ook lang iets van mooie dromen. Jongeren hebben die nog, maar de meer ervaren kerkleden denken inmiddels wel te weten wat er van terecht komt. Ze wegen alle belangrijke factoren: de beschikbare tijd, de hoeveelheid motivatie, de benodigde fondsen en de vereiste menskracht en komen dan tot de conclusie: ‘dat gaat niet gebeuren.’ ‘Helemaal in deze periode, nu Corona er nog volop is, moeten we niet teveel willen, laten we eerst maar eens zien hoe we er na Corona voorstaan.’

Is dit nu realistische wijsheid geboren uit levenservaring of gewoon gebrek aan geloof? Wat denken jullie? Wat hebben we in de kerk eigenlijk het meest nodig? Realistische wijsheid of grenzeloos geloof?

De antwoorden die toen gegeven werden laten wel een zekere aarzeling zien

Het merendeel van de deelnemers aan de enquete koos voor grenzeloos geloof. Vermoedelijk vind men de keuze wel wel scherp. Is het het óf óf? Iets meer nuance mag hier toch ook wel! Dat voel ik helemaal mee en toch!

In de tijd van Zacharia (520 vC), een tijdgenoot van Haggaï, werd van van de teruggekeerde ballingen een groot geloof gevraagd. Twintig jaar na hun terugkeer uit de buurt van Babel waren hun vooruitzichten bepaald slecht. De belofte die hen naar huis bracht was nog steeds een belofte. Ze hadden zichzelf dan weer kunnen settelen in Jeruzalem, maar de muur van de stad lag nog in puin en met de herbouw van de tempel, feestelijk begonnen destijds, was men nog nauwelijks verder gevorderd dan het fundament. Intussen was de tegenwerking enorm en de vijandschap van bevolking van het land groot. Achtergebleven in de periode van de ballingschap zagen zij de teruggekeerden als indringers. Het was misschien wel zoiets als de Palestijnse kwestie van tegenwoordig. Wat was er na twintig jaar nog van het geloof van de repatrianten over?

De profeet Zacharia stelt -na de profeet Haggaï – hun blik weer scherp door hun in opdracht van de Heer opnieuw de belofte voor te houden. Hij schildert in zijn profetie een ongelooflijk beeld dat voor de luisteraars van toen zoiets als de omgekeerde wereld geleken moet hebben. Een realist kreeg maar weinig harde feiten die deze verwachting ondersteunde, er werd alles van zijn geloof gevraagd. Of moet je het anders zien? Is de Almachtige God nu juist het harde feit dat al die beloften keihard maakt, veel meer dan wat wij als ‘harde feiten’ zien?

Op 18 oktober 2021 zijn er voor kerkmensen in Nederland ook weinig ‘harde feiten’ als het om de toekomstverwachting van de kerk na Corona gaat. Of zijn wat wij vaak als harde feiten zien, die nu ook veel zachter dan het werkelijke harde feit van onze verwachting: onze Heer Jezus. En is deze periode nu juist een beproeving van ons geloof?

De dienst is nog eens terug te zien (lezing en preek beginnen op 0:33) en de preek is hier te beluisteren.

De vorige keer ging het over Haggaï’s profetie, de volgende zondag gaat het over een nieuwe kennismaking met de wet van God (Neh. 7:72 – 8:12)

Geplaatst in Preken | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Beginnen bij… Haggaï 1 1-15 zondag 10 oktober

Gespannen kijkt het publiek beneden toe. Hier en daar hoor je een angstige schreeuw opstijgen. Boven hangt iemand nog maar met één hand aan een zijbalk van een hoogspanningsmast. Hij zwaait heen en weer in de wind, je hoort hem angstig schreeuwen. Beneden staat een hele groep mensen die een zeil strak houden en die hem ook schreeuwend proberen te bewegen los te laten en zich in het zeildoek te laten vallen. Je voelt de spanning in de lucht hangen. Maar hij durft niet en klemt zich met alle kracht die hij nog heeft aan het ijzer vast. In de harde wind zwaait hij gevaarlijk heen en weer en komt steeds dichter bij de hoogspanningskabels: iedere moment kan het fout gaan.

Voor ieder die beneden staat is het duidelijk: ‘laat hij loslaten, dat is zijn enige kans op redding’. Maar voor hem zelf voelt loslaten als het meest tegennatuurlijke wat hij kan doen: hij klemt zich met alle macht en kracht vast alsof zijn leven ervan afhangt.

Stel je voor dat jij daar hing! Zou je zien wat je redding betekent? En als je het ziet, zou je durven doen wat je redding betekent maar wat als je ondergang voelt?
Voor de meeste acties in het leven geldt: “beginnen bij het begin!”. Maar soms is niet zo duidelijk wat het begin is? Of voelt waar je mee zou moeten beginnen juist als tegennatuurlijk aan. Durf je het dan aan?

Haggaï was profeet twintig jaar nadat koning Cyrus van Perzië de Judeese ballingen in zijn rijk weer naar huis stuurde met de opdracht: ‘Herbouw mijn tempel!’ Uit de woorden van Haggaï begrijpen dat na de plechtige ‘eerste steenlegging’ (in dit geval het fundament) en de hervatting van de offerdienst er niet zoveel meer gebeurd was en de tempel nog met name een ruïne was. En dat terwijl de ballingen van toen zich toch wel weer hebben gesetteld. Niet tijdelijk maar definitief, dat kun je zien aan de manier waarop ze hun huizen hebben herbouwd.
De verleiding is groot om zo’n profetie te lezen als aanklacht tegenover de onverschilligheid van het volk. Maar daar doe je hen geen recht mee: zij waren de destijds geïnspireerd om de tempel te herbouwen teruggekeerd terwijl volksgenoten achtergebleven waren. De vraag laat zich wel stellen wat hen dan had belemmerd om die tempel ook werkelijk helemaal te herbouwen en welke consequenties dat voor hun leven had.
Voor ons die nu lijken terug te keren uit onze eigen kleine ballingschap na Corona -wij konden 1,5 jaar niet normaal de kerkdiensten bezoeken, heeft de beantwoording van die vraag wellicht ook nog betekenis!

Hier is de dienst nog eens te beluisteren en/of te zien (de preek begint op 37:24).

Vorige week begonnen we met een dienst met Ezra 1 & 3. Over de terugkeer na ballingschap!
Volgende week gaan we verder met de grote plannen die we horen van de profeet Zacharia in hoofdstuk 8.

Geplaatst in Preken | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Ezra 1 & 3 – ‘Terug’ -03-10-2021- H. Avondmaal

Na dertig jaar terugverhuizen naar waar je vandaan kwam. Grote kans dat je er niet terugvindt wat je er achtergelaten hebt. Sommige vrienden zijn ook verhuisd en niet teruggekeerd, andere leven niet meer. De buurt is niet langer jouw buurt: er wonen andere mensen en er heerst een andere sfeer. Het centrum van je vroegere woonplaats is door een grote renovatie onherkenbaar veranderd. Veel vertrouwds van vroeger is eenvoudig verdwenen. “Je vindt niet meer terug wat je achtergelaten hebt”, zeggen de migranten die vroeger hun provincie hebben vaak, als hen gevraagd wordt of ze nog eens naar hun geboortestreek terug willen verhuizen.

Stel je voor dat het zeventig jaar geleden is dat je ergens vandaan vertrok! De kans is dan nog veel groter dat er heel veel veranderd is in de plaats waar je vandaan kwam. Helemaal als de aanleiding voor je vertrek een oorlog was. Alleen de nieuwe generatie raakt minder snel teleurgesteld: de toestand is er niet zo als de ouderen hen altijd verteld hebben, maar ze hebben er zelf geen herinnering aan en dus ook andere verwachtingen van. En jong als ze zijn, kijken ze vooral naar de toekomst. 
Teruggaan naar waar je vandaan kwam, kan leuk zijn. Maar hoe langer het geleden is dat je vertrok, des te minder van vroeger zul je er terug vinden.

We lezen Ezra 1:1-6 en 3: 10-13.  Na zeventig jaar mag Israël naar huis! Zullen ze er nog wel terugvinden wat ze er achtergelaten hebben? Immers soms is teruggaan naar huis fijn, maar soms is het ook gewoon te lang geleden. Tjonge, terugkeren na zeventig jaar!

Afgelopen zondag hebben we, na de versoepeling van de coronamaatregelen, een eerste stap op het traject naar het opnieuw openstellen van onze diensten gezet. Er waren weer veel meer mensen in dienst. Wat een mooie ervaring om voor het eerst weer met een grotere groep gemeenteleden samen te komen, samen te zingen en het avondmaal te vieren! Was het fijn! Of was het toch niet zoals vanouds?

Bij ons in de gemeente is er het een en ander veranderd: we zullen niet iedereen terugzien in de diensten, sommigen zijn verhuisd en anderen overleden. En niet alles is meer hetzelfde als anderhalf jaar geleden: de zaal is veranderd, we beginnen de dienst op een later tijdstip, er staan nu zangers op het podium en er is geen middagdienst meer waar je heen kunt gaan. Die veranderingen raken aan de ervaringen van de teruggekeerde Israëlieten in de tijd van Ezra. Wat geeft in beide geschiedenissen een nieuw perspectief?

De preek hier hier nog eens te beluisteren en de dienst kan ook teruggekeken worden (de preek begint op 25 minuten)

De volgende zondag bezien we de herbouw van de tweede tempel via een profetie van Haggaï.

Geplaatst in Preken | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Startzondag (19-9-’21): ‘de Tegen-stander’

Komende zondag start het kerkelijke seizoen. Natuurlijk zijn we in de zomer gewoon doorgegaan met kerk-zijn, Μaar vanaf zondag gaan we weer voluit. Er zijn nog wat beperkingen, maar we kunnen veel meer dan vorig jaar. De week daarop zullen onze beperkingen naar alle waarschijnlijkheid minimaal zijn. Wat dat betreft is dit een mooie periode van elkaar weerzien en opnieuw, intensiever met elkaar op gaan trekken.

Wat zal het mooi zijn om weer contact te hebben. Afgelopen zondag zaten we met een deel van de wijk Ermelo-Zuid/Oost bij elkaar in ons kerkgebouw. Het was gewoon geweldig om weer bij elkaar te zijn. Lekker eten, leuke gesprekken en goed gezelschap. ‘Wat hebben we dat gemist!’, dachten wij toen we weer thuis waren. 
Ik heb grote verwachtingen van het nieuwe seizoen: we hebben elkaar echt nodig. En we zullen de waarde daarvan ook veel meer ervaren, verwacht ik, nu we elkaar zo lang hebben moeten missen.

Ik denk niet dat de afgelopen periode van de coronamaatregelen een straf van God was. Immers zodra je dat zegt, moet je je af gaan vragen voor wie die straf dan was?
Als die voor de ongelovigen in de wereld was, vraag je je af waarom christenen daar dan ook onder geleden hebben? Dat zou onze God een onrechtvaardige God maken. Dat geloof ik gewoon niet. Als het een straf was, dan voor ons allemaal. Maar waarom zou God dat nu doen: het is nu de periode dat God zijn hand naar ons uitgestrekt houdt.

Toch denk ik wel dat het voor ons een beproeving van God was. Hoe sterk is onze gemeenschap? Wat hebben we er van terechtgebracht in de afgelopen periode. En nu het weer kan, grijpen we elkaar weer vast of laten we nu helemaal los? Hebben we gezien hoe waardevol en belangrijk onze gemeenschap is?
Want die beproeving van God is een verzoeking van satan, onze tegenstander. Hij ziet maar wat graag dat we elkaar nu helemaal loslaten. Immers: verdeel en heers! Eén voor één heeft hij heel wat minder moeite met ons dan als wij elkaar vasthouden.

Vind je dit een wat sombere kijk op ons leven? We zijn toch door Christus verlost en aan een nieuw leven begonnen? Ja! Da’s waar! En toch, is er nog steeds de dreiging van de tegenstander. Die kun je maar beter goed leren kennen (lees openbaring 2 en 3 maar eens).
Ken je dat ook? De druk van die constante tegenstand in ons leven? Laat het dan eens weten op Mentimeter, code 2733 31 87?

Want vooral als het (weer) goed gaat met ons, laat hij zich gelden. Dat kun je goed zien in de geschiedenis van Esther 3 Hoe leren we hem daar eigenlijk kennen en kan hij wel een bedreiging zijn?

Zondag verder. Wees welkom!

Geplaatst in Preken | Tags: , , | Een reactie plaatsen

‘Hoop voor de Harem?’ – Esther 2: 1-18 – 12-9-2021

Er was eens een mooi Joods meisje dat in een ver land woonde.
Hadassa wist wel dat ze mooi was: op straat keken er veel mensen naar haar.
Zij verbaasden zich over haar schoonheid: haar mooie figuur en haar prachtige trekken.
Stiekem waren ze een beetje trots op haar: ze is toch wel het mooiste meisje van de buurt.
Nee, ze is misschien wel de mooiste van heel het land en ze woont toch maar in onze buurt.
Hadassa was wees, haar vader en moeder waren al een tijd geleden gestorven.
Gelukkig was er een oom die wel voor haar wilde zorgen: Mordechai was zijn naam.
Dat was helemaal geen Joodse, maar een Perzische naam.
Dat hoorde je zo: zijn naam leek op de naam van de belangrijkste God in het land: Marduk.

Er was eigenlijk maar weinig Joods aan deze man: je zou het zo niet zeggen als je hem zag. Toch stamde Mordechai ben Jaïr, ben Simi, ben Kis, uit een belangrijke Joodse familie: een koninklijke familie waaruit ook de eerste koning van het land Israël stamde: Saul ben Kis
En toch leek Mordechai niet zoveel meer met Israël te hebben. Hij was zeventig jaar geleden gedwongen gemigreerd uit Juda, maar nu niet mee teruggegaan naar Israël nu ze de kans gekregen hadden. Hij blijft in de Perzische hoofdstad wonen en dus ook zijn stiefdochter Hadassa.

Wat Mordechai dan ook allemaal niet deed, hij voelde zich wel verantwoordelijk voor zijn pleegdochter Hadassa. Hij hoopte dat hij haar nog eens kon uithuwelijken aan een andere respectabele Joodse migrant in Susan de hoofdstad. Zo was dat gebruikelijk in de Joodse gemeenschap daar. Tot die tijd beschermde hij haar tegen de onbeschaamheid van de Perzische mannen in de stad. Die zouden zich zomaar iets in het hoofd kunnen halen.
Als ze een voorbeeld aan hun koning zouden nemen was Hadassa voor hen niet veilig. Koning Ahasveros was immers een groot vrouwenliefhebber. Hij was dol op mooie vrouwen en pronkte graag met hen. Dat had hem vier jaar geleden zijn mooie vrouw Vasti gekost. Die weigerde op het hoogtepunt van een groot feest op te draven voor alle mannelijke gasten. De koning stond in zijn hemd en moest haar toen wel wegsturen om zijn gezicht te redden.

Op een dag hoorde men in de stad de volgende aankondiging: de koning zoekt een nieuwe vrouw. Alle mooie maagden moeten zich melden om door zijn majesteit te worden gekeurd.
Mordechai schrok: als men Hadassa op het spoor zou komen, zou hij haar nooit meer kunnen uithuwelijken. Dan zat ze voor altijd vast in de harem van de koning. Een luxe, maar heel onvrij leven. Hij hoopte maar dat het hun deur voorbij zou gaan. Maar de hele buurt kende Hadassa en zo kwam het dat er op een dag op de deur gebonkt werd: “Mordechai doe open!”

Wat begon als een wat vreemd sprookje dreigt nu een wrange draai te krijgen. Wordt Hadassa het slachtoffer van deze hitsige koning? Wat een naar verhaal, wat moeten wij daar nu mee?

Vanuit onze tijd van vrouwenrechten en toch MeToo valt er een wat grimmig licht ook de gebeurtenissen in die tijd. Men moet zich eerst overwinnen om zich verder in deze geschiedenis te willen verdiepen. Het is wel adembenemend hoe dit tijdperk, waar de absolute macht van een koning de norm was, zich aan ons voordoet en toch zijn er ook dan al andere invloeden en wonderlijke wendingen merkbaar.

Kijk hier de dienst nog eens terug (de bijbellezing en preek beginnen op 30:26)
of beluister de preek hier.

Komende zondag Esther 3, waar zich een andere invloed laat gelden.

Liturgie

  1. Binnenkomen 

a. (Sela) Votum & GroetGod spreekt (Woord)

b. Woord voor onderweg: Psalm 15

c. NLB 103e Bless the Lord (Ontferming en glorie)

d. Kinderlied OpwK 139 Hij alleen (eventueel een video)

2. Woord van God

a. Opw. 687 Heer, wij mij uw weg (Voor de bijbellezing)

b. Lezen: Esther 2: 1-18

c. Ps. 23c Mijn God, mijn herder zorgt voor mij (Na de preek)

3. Weggaan

a. HH 479 Heer U bent mijn leven

Geplaatst in Preken | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Ervaren leider gezocht (m/v) – Joh. 21: 15-19 – 6-9-’21

“Kann ein Pastor Selig werden?’ las ik ooit eens: Kan een pastor zalig worden?”
Die vraag maakte toen indruk op me, want het is toch zo dat je, als je veel over God weet, geen excuus meer over hebt. 

Toen de EO met de serie ‘Uitgepreekt‘ startte over dominees die ongewild hun ambt hebben moeten neerleggen, kwam de herinnering aan die vraag weer bij me boven. Én die aan de geschiedenis waarvan ikzelf getuige was. Jaren geleden las ik van een collega die was geschorst en afgezet vanwege een ‘zonde tegen het zevende gebod’. Een overweldigend gevoel van spijt kwam bij me boven. Niet zolang daarvoor had ik bij deze dominee in de kerk gezeten en had ademloos naar hem zitten luisteren. Zelden had ik zo horen preken! En om dan nu te lezen dat deze man echt ‘uitgepreekt’ was ervoer ik als een enorm verlies, een overwinning van satan. Tien jaar later las ik dat deze ex-dominee zijn classis (vergelijkbaar met een regio) verzocht had hem weer in zijn ambt te herstellen. Hij had daadwerkelijk berouw (hij had zich met zijn vrouw verzoend) en hij had lang op de strafbank gezeten. Het leek mij een redelijk verzoek. De classis was onverbiddelijk: zij herstelden hem niet in zijn ambt. Toen verzuchtte ik hardop: kan een dominee eigenlijk ooit vergeving ontvangen! Niet van mensen, zo bleek. En van God?

Petrus heeft zijn Heer verzaakt, gewoon glashard ontkent dat hij hem ooit eerder gezien had. Het lijkt me het ergste dat je als aangewezen apostel kunt doen: je Heer ontkennen, terwijl je Hem juist bekend moet maken. In de geschiedenis van Joh. 21 komt het voor hem onverwacht tot een confrontatie met zijn opgestane Heer. Hoe reageert die op zijn ontrouwe apostel? En hoe reageren wij op zonde en ontrouw?

Als je de geschiedenis uit het evangelie van Johannes erbij pakt, we lazen de verzen 1-19, dan merkt je als eerste dat dit al de derde keer is dat de Heer een deel van zijn leerlingen bezoekt na zijn opstanding uit de dood.
Maar er vallen verschillende zaken op, vooral in de verzen 15-19 in het gesprek met Petrus. Jezus noemt hem weer Simon alsof Hij weer bij het begin begint. Ook het feit dat Petrus wil gaan vissen -zijn oude beroep!- doet denken aan het allereerste begin. Net zoals het wonder met die visvangst, trouwens. De mens Petrus herken je in alles: hij neemt het initiatief om te gaan vissen, hij kan niet wachten tot tot de boot aanlegt als hij begrijpt dat zijn Heer Jezus daar aan de kant zit en hij ook weer de eerste die de opdracht van zijn Heer uitvoert.
Dat is Petrus: een mens als een open boek, die het voortouw neemt. Iemand om op te bouwen, inderdaad.
Maar diezelfde Petrus heeft ook glashard ontkent dat hij zijn Heer zelfs maar kende. Sinds dat de Heer Jezus is opgestaan is dat niet meer tussen hen aan de orde geweest. En nu noemt de Heer hem weer Simon.

Toch is, Simon, niet bang voor zijn Heer. Je ziet dat aan zijn enthousiasme en je hoort het aan de toon van van het gesprek. Maar je merkt wel aan alles dat de Heer hem herinnert aan die keer. Vandaar die drie vragen parallel met de drie keer dat Petrus Hem verzaakte. En toch is het geen afstraffing, maar een bewogen vraag van de Heer naar het belangrijkste: of Simon Hem lief heeft. En dan maakt Hij hem weer Petrus, rots waarop zijn gemeente gebouwd wordt. ‘Hoedt mijn schapen’.

Als liefde voor Jezus het belangrijkste is voor geestelijke leiders, valt op dat dit in onze advertenties waarmee we naar een voorganger zoeken, vaak niet genoemd wordt. Verwachten wij teveel van die voorgangers zelf en te weinig van Jezus? Verwachten wij misschien zelfs wel het verkeerde van onze geestelijke leiders? Nl. dat ze zichzelf goed kunnen redden?
Willen wij het liefst dat hij ons ideaal van een perfecte christen hooghoudt, iemand die allemaal wel kan wat ons toch niet lukt?

Jezus leert ons hier wat het belangrijkste is. Niet wat Simon gepresteerd heeft of zijn kwaliteiten maken hem een geestelijk leider, maar zijn liefde voor zijn Heer.
In alle kwetsbaarheid is dat beslissend. Simon was een gelouterd mens, zijn grootspraak dat hij meer van Jezus hield dan de anderen, herhaalt hij nu niet meer. Hij weet inmiddels wel beter. Een geestelijk leider is het meest waard als die in alle kwetsbaarheid de gemeente kan voorgaan in berouw tonen en genade ontvangen en ook in zijn verwachting van de Heer.

Daarom vind ik het best jammer dat de collega van hierboven niet opnieuw kon beginnen. Hij was immers ook gelouterd. Hij had zich verzoend met de Heer en met zijn vrouw. Hij kon nu in alle kwetsbaarheid voorgaan in berouw en genade.
Verwachten we teveel van onze voorgangers? Verwachten we ook teveel van elkaar en van onszelf. Wordt het klimaat in onze gemeenten daarom ook behoorlijk onveilig? We geven elkaar de indruk dat we het zelf wel redden. Immers onze blik is kritisch. Maar kan een aangeslagen mens die vol berouw is dan eigenlijk wel in ons midden aankomen met zijn moeite?

Laten we samen vooral naar de Heer kijken en niet zo op elkaar letten.
Zodat we als kwetsbare lotgenoten terecht kunnen bij elkaar en ook bij de Heer.
We mogen geloven dat de Heer ons wil redden en zalig maken.
Ja dat door Hem zelfs een pastor zalig kan worden.

Wil je de preek nog eens beluisteren dan kan dat hier, de dienst terugkijken kan hier. De preek begint op 34:00.

De volgende keer gaan we verder met Esther, ene nogal MeToo-gevoelige geschiedenis. Een meisje kan er nog een sprookje in zien, maar hoe kijkt een volwassen vrouw hier eigenlijk naar?

Liturgie

1.  HH 587 Halleluja Adonai – een lied op de drempel naar de ontmoeting met God

2. Opw 328 O Heer ontferm U over ons … we voelen ons klein bij God

3. Wees niet laf (maar doe wat Jezus wil) – lied voor de kinderen

4. HH. 486 Laat ons Christus zien – bede voor de bijbellezing

5. HH. 386 Wil je opstaan en mij volgen – vraag om toewijding na de preek

6. NLB. 428 Overvloedig geef ik U – God laat ons niet met lege handen door het leven gaan


HH = Hemelhoog Opw. = Opwekking NLB = Liedboek voor de kerken (2013)

Geplaatst in Preken, Uncategorized | Een reactie plaatsen

Houdt contact! (Joh. 15: 1-11)

Onze druiven staan er niet best bij dit jaar: meer dan genoeg water, maar beslist te weinig zonneschijn en dus een temperatuur die te laag is voor de tijd van het jaar. Het gevolg is dat een heel stel van onze druiven onder de maat zijn. Bovendien groeit er op steeds meer trossen een hardnekkige schimmel. Steeds als ik ga kijken zijn het er weer meer die aangetast zijn. Mijn hoop is nu nog gevestigd op een stel trossen die er nog goed uitzien in het midden van onze wijnstok. Maar nu al is duidelijk dat de oogst beslist minder zal zijn dan de voorgaande jaren. Dat is jammer, maar ik kan er niets aan veranderen. Voor de winter heb ik de wijnstok netjes gesnoeid en in de zomer op de tijd de zomersnoei uitgevoerd. Ik hoef me niet schuldig te voelen. Dit komt door invloeden die buiten mijn macht liggen.

Zondag pakken we de draad weer op met een thema dat ons in de serie Bijbel Basics wordt aangegeven: de gelijkenis van de wijnstok uit Joh. 15, 1-11. Niemand hoeft dat op te zoeken om te weten waar deze over gaat? Is hier nog iets nieuws over te zeggen? Dat was tenminste wel wat ik voelde toen ik het thema voor het eerst zag. Totdat ik me ging afvragen welke boodschap deze gelijkenis eigenlijk voor ons heeft. Immers hier gaat het, net zoals bij de wijnstok bij ons in de tuin, toch over factoren die we zelf niet in de hand hebben? De wijnstok (Jezus) brengt ranken en vrucht voort, daar kiezen de ranken (wij?) niet zelf voor. En de wijnboer (God de Vader) snoeit, daar hebben wij ook geen invloed op. Mooi beeld, die wijnstok, het vertelt ons iets over hoe de werkelijkheid in elkaar zit. Maar wat kunnen wij daar verder mee? Hopen op een goed wijnjaar?

God heeft inderdaad bijna alles voor ons gedaan. Het werk van zijn Zoon Jezus Christus heeft ons aan Hem verbonden. Aan het einde van de preek kwam ik uit op vier manieren waarop wij ook onze verantwoordelijkheid kunnen tonen.

  1. Houdt contact. Richt je in je leven voor de Heer steeds op Hem. En wees in je doen en laten ook afhankelijk van Hem. Zoals ranken ook afhankelijk zijn van de wijnstok. Probeer niet voor de Heer uit te lopen.
  2. Laat Vaders snoeimes toe. Anders dan een druivelaar kunnen mensen wel zelf reageren. Laat God je leven ook richting geven.
  3. Denk niet te klein van jezelf. Als de Heer je duidelijk maakt dat Hij je in zijn Koninkrijk heeft opgenomen, je zoals in het beeld van de gelijkenis bent opgenomen in de druivelaar, laat de gedachte dan ook toe dat de Heer God je voor het grote plan van de komst van zijn Koninkrijk kan inzetten.
  4. Wees zo verantwoordelijk, dat je je steeds afvraagt waarin je betrokken bent en of dat samengaat met de plek die je van God in het Koninkrijk hebt gekregen.

Daarbij nog twee aandachtspunten:

  1. Het beeld van de druivelaar is een beeld van de gemeenschap van het volk van God. Realiseer je dat de Heer Jezus zich aan ons samen verbonden heeft. Dat wij dan ook samen groeien.
  2. Overeenkomstig met wat de gelijkenis voor de apostelen betekende betekent vrucht dragen ook voor ons dat de vrucht van onze deelhebben aan het Koninkrijk is dat er weer nieuwe leerlingen bijkomen en dat het Koninkrijk zal groeien totdat dit het wereldwijde Koninkrijk van God is geworden.

Wie de preek nog eens wil beluisteren kan hier terecht, wie de dienst wil zien: hier (de inleiding op de preek begint vanaf 23:25).

Komende zondag gaat het over het aantal kansen dat de Heer je geeft: Joh. 21: 9-19.

Geplaatst in Preken | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Achtergebleven

Ik zat altijd links, hij rechts naast me. Bijna twintig jaar hebben we samen in de kerk gezeten. Dat was gewoon en voelde vertrouwd. We groeiden samen op binnen de kerk. We verschillen maar een jaar in leeftijd en dus deden we veel samen. We bezochten de catechisaties en de vereniging samen, we zongen samen, lazen samen, luisterden samen, verveelden ons samen, lachten samen om al de eigenaardigheden die we zagen en discussieerden samen, en uiteindelijk deden we ook samen belijdenis. Als twintigers namen we onze plek in de kerk in. Hij werd ouderling, ik studeerde theologie.
Hij reisde nog eens een zondag met me mee toen ik als kandidaat-predikant op beroep moest preken in twee gemeenten die me wel eens wilden horen. Dat wilde hij niet missen. Maar tijdens die reis werd al duidelijk dat hij zijn plek in de kerk op zou gaan geven en misschien ook wel zijn geloof in God.

Zo ging ik vanaf mijn eerste dag als predikant alleen naar de kerk. Natuurlijk zaten er veel meer mensen in de kerk, zeker die eerste dag was de kerk bomvol met gemeenteleden, vrienden en familie. Zelfs hij was er, als familie, maar niet meer als kerklid. Ik voelde me midden tussen al die mensen toch alleen gelaten: alleen achtergebleven in de kerk. Omdat hij er niet meer bij hoorde. Dat is nu meer dan vijfentwintig jaar geleden, maar ik kan het nog altijd zo voelen. Sindsdien zijn er nog veel meer dierbare familieleden, vrienden en gemeenteleden vertrokken. Bij ieder vertrek – zelfs al was het niet eens uit onze eigen gemeente – werd de kerk een stukje vreemder voor me. Alsof er steeds weer een deel van mezelf met hen naar buiten vertrok. Ik voel me zo langzamerhand nergens meer helemaal thuis: niet binnen de kerk, maar ook buiten de kerk zou ik me niet thuis kunnen voelen.
Met het vertrek van al die dierbare mensen is mijn vertrouwde kerkgevoel verdwenen. Ik sta als het ware met één been binnen de kerk en met één been erbuiten. Daardoor zie ik de kerk nu zowel vanbinnen als vanbuiten. Ik bekijk de kerk nu als het ware ook door hun ogen.

1. Grote veranderingen

Er is in nauwelijks vijftig jaar veel veranderd in mijn omgeving. Toen ik een jongen van een jaar of tien was, hoorde het grootste deel van mijn familie, vrienden en dorpsgenoten bij een kerk. De meesten van mijn familieleden hoorden zelfs bij dezelfde landelijke kerk. Was er een verjaardagsfeest, dan konden de aanwezige ooms en tantes een heel gesprek over die kerk hebben.

Tegenwoordig hoort de helft van mijn naaste verwanten niet meer bij een kerk of is daarbinnen al heel lang niet meer actief. De andere helft heeft zich verdeeld over verschillende kerken in een breder spectrum van evangelisch en midden-orthodox tot vrijzinnig. De kerk is geen gezamenlijke ervaring meer, eerder een persoonlijke keuze.
Dat lijkt overeen te komen met landelijke cijfers. De theoloog Stefan Paas gaat ervan uit dat op dit moment de helft van de nieuwe aanwas vertrekt.

Feit is in ieder geval wel dat kerk en geloof lang niet altijd meer gedeelde familiezaken zijn, en dat is een grote verandering in ervaring vergeleken met vijftig jaar geleden. De vanzelfsprekendheid van een gelovige familie- en vriendenkring is voor ons voorbij. En dat heeft grote invloed op onze beleving van geloof en kerk.

2. Gevoelens

Het is me gebleken dat gevoelens voor de kerk ook veranderen. Steeds wanneer de kerkgemeente iets te vieren heeft, mis je de jouw bekende vertrekkers bij het feest. Dat maakt het feest voor jou minder intens. Feestelijke gebeurtenissen als een doop, een belijdenis of een kerkelijk huwelijk krijgen een pijnlijk, scherp randje. ‘t Is niet jouw kleinkind, ‘t zijn niet jouw kinderen. Zij laten hun kinderen niet dopen, ze doen zelf geen belijdenis van hun geloof en ze wonen al jaren samen. En als ze zouden trouwen, dan zal er geen kerkdienst zijn.

Natuurlijk gun je het je andere broers en zussen in de kerk graag, maar hun feest raakt aan jouw gemis. Zo in de loop van de jaren kan er een heel bezinksel van verdriet op de bodem van je ziel komen te liggen. Dat reist altijd met je mee en filtert veel van wat je verder nog meemaakt aan vreugde in de gemeente.

Daarbij komt ook nog eens dat je je vaak schuldig voelt als je die complete gezinnen in de kerk ziet zitten. Je ziet dat hun kinderen wel belijdenis doen en hun kleinkinderen wel gedoopt worden. Je vraagt je af wat jij verkeerd gedaan hebt. Jouw kinderen zitten immers niet naast je in de kerk. Onwillekeurig vraag je je toch af waar jij het hebt laten liggen.

Ja, en ook komt het voor dat je kwaad bent op gemeenteleden, omdat zij in jouw ogen medeverantwoordelijk waren voor de keuze van je dierbare om uit de kerk te vertrekken. Hadden ze die opmerking maar niet gemaakt waardoor je kind in de knoei kwam. Hadden ze maar niet zo moeilijk gedaan over het jeugdwerk in de kerk, misschien had je kind dan wel een plek gevonden in het midden van de gemeente. Hadden ze zich maar gedragen als oprechte en liefdevolle christenen… dan zag je familie hen nu niet als hypocrieten.

Boven op de lagen verdriet in je ziel komt dan ook nog eens een drempel van wantrouwen en boosheid te liggen, die vormt steeds meer een hindernis, waardoor het steeds moeilijker wordt om jezelf helemaal te kunnen geven in de gemeente. Je vertrouwen is beschaamd. Het kan zo ver komen dat de kerk voor jou steeds meer een opgave en steeds minder een vreugde wordt. En zo kom je zelf ook meer en meer aan de rand terecht. En je zou de eerste niet zijn die achter de kinderen aan de kerk uit groeit.

3. Niet veilig

Het heeft me vaak getroffen dat broers en zussen die zulke verliezen geleden hebben wat gelaten reageren als je hen ernaar vraagt. Ik meen daarin hun schaamte, schuldgevoel en machteloosheid te proeven.

Misschien zit er ook wel behoedzaamheid bij. Bij je broers en zussen kun je immers lang niet altijd met je verdriet terecht. Die praten er liever niet over en zeggen onhandige dingen die schrale troost zijn. Soms zijn ze zelfs ronduit bot.

En zo kan je eigen gemeente aanvoelen als een onveilige plek waar je je verdriet niet kunt delen. Omdat je bang bent dat broers en zussen eraan gaan dokteren, waardoor er alleen maar zout in de wond wordt gestrooid.  

Ook komt het voor dat je gemeente nogal administratief met de vertrekkers omgaat. Het gebeurt zelfs wel dat hun namen alleen even opgesomd worden in de mutaties van het kerkblad, zonder dat er ook maar één pastoraal woord aan gewijd wordt, laat staan dat er voor hen gebeden wordt. Dat geeft je dan het overweldigende gevoel dat ze voor jouw kerk allang weg zijn en dat je broers en zussen blij zijn dat ze hun administratie bij kunnen werken en al die niet-betalende leden nu af kunnen schrijven.

Het einde van een lang proces waarbij je tot het uiterste – soms weleens tegen beter weten in – hebt gehoopt en gebeden dat je dierbaren nog een andere keuze zouden maken, wordt door jouw gemeente ‘zakelijk’ afgesloten doordat ze – tenminste in jouw beleving – de deur van de kerk met een kille klik in het slot laten vallen.

4. Achtergebleven?

Het kan zo ver komen dat je je eerder een achtergeblevene voelt dan nog een volwaardig lid van de gemeente. Geliefde verwanten en vrienden zijn uit de kerk vertrokken. Je kunt je verdriet er niet kwijt, je durft je schuldgevoel niet te delen, je schaamte slik je in en je voelt je niet veilig genoeg om je pijnlijke plekken te tonen. Terwijl jij nog regelmatig verdriet hebt van de keuze die je dierbare geliefden gemaakt hebben, en zij nog altijd – soms al tientallen jaren – in je gebeden zijn, zijn ze voor je medegemeenteleden allang uit beeld. Die hebben hun lege stoelen allang weggezet zodat er niets meer is in de gemeente dat nog aan hen herinnert. Hoelang houd je dat zo nog vol?

Andere lezers zullen tegenwerpen dat dit niet zo bedoeld is. Ze zijn hier juist niet met jou over begonnen omdat ze geen wonden willen aanraken die nauwelijks of niet geheeld zijn. Of ze zijn zelf ook verlegen met het gebeurde en hebben hier gewoon geen woorden voor.

Jij en medegemeenteleden lijken zo als twee oevers waar geen brug tussen is. Hun verlegenheid wordt door jou als onverschilligheid of gebrek aan medeleven beleefd, terwijl je verdriet ongetroost en je zorg ongehoord blijft. Niet de goede bedoelingen van je medegemeenteleden, maar je perceptie speelt hier de grootste rol.

Het is uiterst verdrietig als de plek waar je troost en heling hoopt te vinden, niet biedt wat je nodig hebt. Het is pijnlijk als gemeenteleden stoppen met bidden voor geliefden die zijn vertrokken. Wie bidt er nog voor hen als zij het niet doen? God vergeet hen niet, zal zijn gemeente hen dan wel vergeten? Het is een gedachte die moeilijk te verdragen is.

Het is lastig om in de gemeente het verdriet in het gezicht te kijken, en dat is meer dan jammer. Nu al meerdere tientallen jaren vertrekken er steeds meer mensen uit de kerken, en daardoor zijn er ook veel meer achterblijvers die hier verdriet over hebben. Het zal steeds moeilijker worden om met elkaar te doen alsof dit niet gebeurt.

5. Leren en delen

Er zullen allerlei redenen zijn waarom deze zorg vaak niet gedeeld wordt. Maar als de zorg niet gedeeld wordt, komt het volgende oude Nederlandse gezegde zeker uit: ’t geen men niet weet, deert het herte niet. Dat is zo als je elkaar als gemeenteleden eigenlijk niet goed kent en niet van elkaars verdriet op de hoogte bent. Het helpt echter ook niet als de namen van kerkverlaters letterlijk uit de ledenlijsten geschrapt zijn en dus niet meer bekend zijn. We zouden vormen moeten vinden die ons helpen die namen niet te vergeten.
Ook is het goed om te weten waar achterblijvers mee geconfronteerd worden, sommige gemeenteleden zullen daar geen idee van hebben. Pas wanneer je beseft waar zij mee te maken hebben, kun je je ook fijngevoeliger opstellen wanneer zij hun zorgen met je delen.  

Het is mooi als het persoonlijke verdriet meer ruimte kan krijgen in de ontmoetingen van de gemeenteleden. De kerk zou een veilige plek moeten zijn, waar het delen van verdriet met anderen een grote troost betekent. Kortom, het zou een enorme vooruitgang zijn als we kunnen leren zo’n gesprek met elkaar te voeren.

Geplaatst in Achtergebleven | Een reactie plaatsen

Meet God! Ezechiël 1

Ik maak me meestal wel een voorstelling bij een stem voor de telefoon. Dat is een mens toch wel eigen, dat je je daar iemand bij voor ogen neemt. Meer dan eens had ik een heel ander beeld van iemand op basis van de stem, dan later zou blijken bij de ontmoeting in levende lijve. Tjonge, wat kan er een verschil zitten tussen de stem en het uiterlijk. Een jonge stem blijkt toe te behoren aan een dame die zo te zien toch al behoorlijk op leeftijd is, een hoge wat vrouwelijke stem aan een reusachtige man met enorme spierbundels en die diepe basstem aan een kleine, slanke man.

Welke voorstelling maak je jezelf van God? Als je bid of bij het Heilig Avondmaal? Is Hij de oude man op een wolk, die ons zo sterk aan de Kerstman doet denken? Een lieverd ja, maar je neemt Hem niet zo heel serieus. Is Hij de lieve papa bij wie je al-tijd terecht kunt, die ook nooit iets erg vindt, wat je ook gedaan hebt. Hij begrijpt het wel. Is Hij de strenge rechter voor wie je de ogen neerslaat en van wie je het vonnis vreest? Of -dat hoor je tegenwoordig door velen zeggen- zie je gewoon niemand voor je als je aan God denkt? Ben je eigenlijk een agnost, een niet-weter?

Het Heilig Avondmaal is, hoe plechtig het ook klinkt, een heel persoonlijke uitnodiging van de Heer om als het ware samen met Hem aan tafel te gaan. Goed uitgedrukt nodigt Hij ons uit om samen, als gemeente, met Hem samen aan tafel te gaan. Met Wie gaan wij aan tafel komende zondag? Welke voorstelling moet je je daarbij maken? De oude man, de lieve papa, de strenge rechter of maar helemaal geen voorstelling? Maar kan het wel een echte ontmoeting zijn, als je je er niemand bij voor kunt stellen.

Ezechiël ontmoet God op een plek waar hij het niet verwacht, in een tijd dat hij het niet gedacht had. Hij beschrijft zijn ontmoeting met God in hoofdstuk 1 van het het gelijknamige boek Ezechiël (en ook in hoofdstuk 10). Helpt die beschrijving ons om een beeld van God te krijgen? Wees welkom zondag!

Geplaatst in Preken | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

In de put – Jeremia 38

De voormalig Amerikaanse president Trump denkt nog deze zomer terug te kunnen komen in het Witte Huis als de werkelijke president van de VS. Hij zei dat op de Republikeinse Partijconventie in Greenville, North Carolina op 5 juni  2021. Immers zo is hij van mening: de huidige president Joe Biden is via ‘de grootste misdaad van de eeuw’ president geworden.
De partijconventie moet nog gevolgd worden door een reeks grote bijeenkomsten waar Trump op de agenda staat als de ‘ECHTE president van de VS’. Het was deze week te lezen in het buitenlandcommentaar van Jan van Benthem in het Nederlands Dagblad.

Ik kan somber worden van zulke berichten. Immers, dit zijn niet de verwarde opmerkingen van een outsider in de Amerikaanse politiek, dit komt uit de toespraak van een vooraanstaand lid van één van de grote politieke partijen in de VS: de Republikeinse.
En dit is maar niet het bittere verhaal van de verliezer van de laatste presidentsverkiezingen tegen een journalist van het een of andere obscure blad, maar in het openbaar uitgesproken op het belangrijkste podium van deze partij. En het wordt niet weersproken.

En dat, terwijl ik weet dat niet alleen deze partij maar zelfs juist deze ex-president gesteund wordt door een hele grote groep witte christenen in de Verenigde Staten. 
Maar dit zijn toch leugens, we hebben deze ex-president allemaal in actie gezien! Hoe kunnen zij deze leugens dan steunen? Daar kun je een heel verhaal op loslaten, maar het griezelige is dat je de morele keuzes van wie toch je broeders en zusters in de Verenigde Staten zijn, niet meer begrijpt.

Dat vind ik eng, las je je ‘eigen mensen’ niet meer begrijpt. Dat ik een president als Joe Biden, die toch ook thema’s steunt waar ik minder gelukkig van wordt, echt veel beter aanvoel dan een president die toch zegt voor orthodoxe waarden op te komen. Je zou aan jezelf gaan twijfelen.

En helaas is het niet de ver van ons bed show, al lijkt dit gebeuren verder niet door andere nieuwsmedia in Nederland opgepikt worden, terwijl in de VS oud-president Obama dit meende te moeten weerspreken. 

Zijn de Nederlandse media op een valse manier gerust? Immers ook in Nederland speelt dit. In De Ongelooflijke Podcast (een podcast van de EO over ontwikkelingen op geloofsgebied), van 2 juni jl. was de onderzoeksjournalist Sander Rietveld te gast die het boek ‘Nieuwe Kruisvaders’ schreef. Daarin beschrijft hij hoe FvD leider Thierry Baudet en PVV-leider Geert Wilders vaak naar orthodoxe christenen lonken. Hij vraagt zich af of zij in Nederland voor elkaar kunnen krijgen wat Donald Trump in de VS deed: een innige verstrengeling creëren tussen radicaal populisme en christendom. Hij sluit het niet uit.

En daarmee is het ook onze zaak. Hoe moet je omgaan met mensen die je als je broeders en zusters beschouwt, maar van wie je de morele opvattingen niet meer begrijpt? Het is natuurlijk heel erg als christenen onderling verdeeld raken.

Dat was in Jeremia’s tijd ook zo. Daar is de kloof tussen de boodschap die Jeremia brengt in de naam van de Heer en wat zijn volksgenoten willen horen zo groot dat sommigen hem wel kunnen vermoorden.
Niemand -zelfs de koning niet- houdt hen tegen. Ze grijpen de gelegenheid aan om de profeet uit de weg te ruimen.
En zo vindt Jeremia zichzelf terug in het slijk op de bodem van een van de waterkelders onder Jeruzalem. ‘Gods stem’ weggewerkt en ten dode opgeschreven in Jeruzalem. Je zou er depressief van worden.

Zondag gaat het over Jeremia 38. Over in de put zitten en er zelf niet meer uit kunnen komen. Heeft dat iets over de ontwikkelingen in onze samenleving te zeggen?

Geplaatst in Preken | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen