
In de zomer van 2025, tijdens mijn studieverlof, ben ik op zoek gegaan naar wie we zijn als christenen in de Nederlandse Gereformeerde kerken. Die zoektocht kwam voort uit een heel persoonlijke vraag: wie ben ik eigenlijk, in deze kerk, in deze samenleving? Ik vroeg me af wie wij als gemeenteleden voor elkaar zijn, wat ons bindt, maar ook wat ons soms uit elkaar drijft. Wat is nu typisch Nederlands Gereformeerd aan ons? Tegelijkertijd vroeg ik me af: welke invloeden spelen er eigenlijk onder ons? Waar liggen onze sterke punten, en waarin zijn we juist kwetsbaar? Het zijn grote vragen die in vijf weken natuurlijk onmogelijk te beantwoorden zijn. Toch hoop ik in deze periode een aantal aanzetten te kunnen ontwaren, die een scherper beeld geven van onze identiteit als christenen in de Nederlandse Gereformeerde kerken– en misschien ook van mijzelf.
I. De vraag
Een vraag die zich de afgelopen jaren meer en meer aan me voordoet is: wie zijn wij eigenlijk? Dat is niet alleen een persoonlijke vraag, maar ook een vraag aan de geloofsgemeenschap waar ik deel van uitmaak. Dat heeft iets met m’n leeftijd te maken, hoe ouder je bent, hoe meer verleden je tot je beschikking hebt om het huidige leven mee te vergelijken. Maar het heeft ook iets te maken met de indruk die ik heb, dat niet alle invloeden die impact op ons hebben, aan de oppervlakte komen.
Landelijk is dat zo. Ik hoor bij wat men tegenwoordig de Nederlandse Gereformeerde Kerken noemt. Recent voortgekomen uit een fusie van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en de Nederlands Gereformeerde Kerken. De beide kerkgenootschappen zijn in de afgelopen decennia behoorlijk van opvatting veranderd. Dat is een proces dat nu al een hele tijd gaande is. Daar zijn goede dingen over te zeggen, maar er blijven ook vragen over. Bijvoorbeeld: hoe kan het dat opvattingen, die men eerst te vuur en te zwaard verdedigde, in de loop van de jaren, toch redelijk abrupt losgelaten zijn en zelfs in het tegendeel daarvan veranderd, zonder dat het proces daarnaartoe echt goed zichtbaar is geworden?
Als men de ontwikkelingen op grotere afstand beschouwt en niet zo betrokken is bij alle gesprekken op de kerkelijke vergaderingen, kan een gevoel van vervreemding niet helemaal onderdrukt worden. Juist, omdat de kwesties waarom het ging, in voorgaande jaren zo fel verdedigd werden dat ze haast wel wezenlijk moesten zijn, verwacht je toch wel een verklaring, waarom dat dan nu niet meer zo is. Te denken valt -naast andere- aan de visie op de kerk, op de positie van de vrouw en die op homoseksualiteit. En dan gaat het niet zozeer over allerlei inhoudelijke redenen -die zijn wel genoemd- maar met name om het verschil in beoordeling tussen toen en nu. Wat is er veranderd dat we bepaalde argumenten nu wel als belangrijk zien.
De verandering in visie op deze en andere gebieden veroorzaakt bij een deel van de leden van deze kerken ook onrust. Sommigen hebben deze kerken om deze reden zelfs verlaten.
Wat zich op landelijk niveau afspeelt, is ook zichtbaar op het niveau van de plaatselijke gemeente. Opvattingen die eerst algemeen gedeeld werden, zijn nu losgelaten en worden -vooral in de praktijk- vervangen door andere. Een voorbeeld daarvan is de omgang van met seksualiteit. Terwijl het eerder gangbaar was om te wachten met een seksuele relatie tot het huwelijk, is samenwonen voor het huwelijk een bijna algemene praktijk geworden. De nieuwe praktijk is niet de uitkomst van een interne bezinning op onze omgang met seksualiteit. Het is m.n. een verandering in de praktijk van christen-zijn. Toch zit deze verandering dieper dan alleen maar de praktijk. Want het is zelfs zo dat er in de christelijke pers en via andere kanalen met een zeker onbegrip naar de opvattingen van ‘vroeger’ wordt gekeken. En weer treft het me dat dit geen geleidelijk proces van verandering is, waaraan een duidelijke afweging van inzichten vooraf is gegaan, maar een redelijk abrupte verandering in de praktijk die zich in een decennium of twee voltrekt, zonder dat helemaal duidelijk wordt waarom. In feite verandert de praktijk en de gemeente past zich daaraan aan.
Hoe snel veranderingen kunnen gaan, werd nog eens duidelijk in de periode van de lockdown tijdens de Coronacrisis. Teruggeworpen op zichzelf, zijn veel gelovige christenen van opvatting veranderd. Dat is op allerlei terreinen het geval. Betekent dit nu dat geloofsovertuigingen en visies op het leven niet zo diep geworteld waren als men zou denken? Of is de samenleving zo veranderd dat er heel nieuwe invloeden zijn die veel overtuigender zijn dan voorheen? Of nog weer anders: is onze samenleving in haar geheel zo veranderd dat we ons opnieuw op eerder ingenomen posities moeten bezinnen? Maar doen we dat dan ook? Bezinnen, bedoel ik. Of zijn een heel stel veranderingen in onze levensstijl redelijk onbezonnen.
De ontwikkeling van deze veranderde standpunten is niet geleidelijk gegaan maar sprongsgewijze. Je zou zelfs kunnen zeggen dat er sprake is van een generatieconflict binnen de kerkelijke gemeenten. Of het nu gaat om de kerkelijke muziek, of om allerlei ethische standpunten, kerkleden zijn er niet zelden over verdeeld en die grenslijnen lopen nogal eens via de verschillende generaties in de gemeente. Maar wat is dan de eigenlijke invloed die deze sterke verandering stuurt?
De vraag komt terug: wie zijn we eigenlijk en wat of wie bepaalt wie we zijn? Welke invloeden spelen een rol in de vorming van onze identiteit? Is het nu zo dat we in vertrouwen de ingeving van de Heilige Geest volgen en aan de hand van onze Heer Jezus Christus door het leven gaan; dat we voor alles Zijn invloed ondergaan in onze overwegingen? Of hebben andere invloeden de laatste decennia een grotere impact op ons gekregen? En welke zijn dat dan eigenlijk? En welke impact is dat? Of waren er invloeden die ons destijds in stevig in de greep hielden? En werd het hoog tijd om die invloeden ongedaan te maken? Wat of wie maakt dat we zijn wie we zijn?
Welke factoren zijn van invloed op de vorming van onze christelijke identiteit? En hoe kunnen we met slechts enkele generaties verschil tot zulke verschillende inzichten komen? Het is mijn doel daar meer duidelijkheid in te krijgen. In de hoop dat een beter begrip van deze ontwikkeling me meer vertrouwen geeft in die ontwikkelingen. Want nu raak ik het spoor soms kwijt.
Het boek van collega predikant Marinus Beute, Wie ben ik als ik preek?, heeft me bij de formulering van het probleem geholpen en het zoeken naar antwoorden geholpen. Hij vraagt zich af welke bronnen invloed hebben op het zelfbeeld van een voorganger als prediker. Wat zou een verbinding met het zelfbeeld van de apostel Paulus -die immers ook preekte – doen met het zelfbeeld van een eigentijdse prediker?
Zijn er culturele ontwikkelingen op van invloed? En zo ja, welke? Hij verwijst daarvoor naar het boek van de filosoof Charles Taylor, De bronnen van het zelf. Die beschrijft daarin de ontstaansgeschiedenis van het moderne zelf.
Via dit boek probeer ik ook meer inzicht te krijgen in wie wij tegenwoordig zijn. Of beter; hoe we zo geworden zijn. Wij, daarmee bedoel ik de gelovige kerkmensen in de Nederlandse Gereformeerde Kerken. Dat is nog een veel bredere vraag dan die Beute aan de orde stelde. Ik verwacht dan in deze korte periode -vijf weken- hier ook niet het antwoord op te kunnen geven. Maar ik hoop wel enkele helpende inzichten te kunnen vinden. Al zou alleen de vraag maar helderder worden.
Naast Taylor, gebruik ik een boek van de filosoof Larry Siedentop, De uitvinding van het individu. Dat geeft meer een historische beschrijving van de ontwikkeling van het individu tot in onze huidige eeuw.
Het is mijn verwachting dat deze beide boeken onze vragen van verschillende kanten in het licht zetten..
Terug naar het onderwerp: wie zijn wij, Nederlandse Gereformeerden, in de 21e eeuw? Waar komen we vandaan en wie zijn we geworden?