Aanklacht!

Schuld maakt je een klein mens.Voor God en voor je medemensen.
Je gevoel van trots lijdt sterk onder schuld, zelfs als het maar bescheiden trots is.
Van schuld kun je je zelf niet bevrijden. Je kunt het alleen onderdrukken voor jezelf of het proberen te negeren. Meestal lukt dat niet, want schuld vreet als een knaagdier aan je. Je kunt de pijn die dat veroorzaakt negeren als er maar genoeg andere impulsen zijn die je aandacht trekken.
Maar als het dan weer stil wordt, dient de pijn zich opnieuw bij je aan. Ze blijkt er nog gewoon te zijn: alle aanklachten liggen er nog. Als je zelf niet weet hoe je van je schuld af moet komen, kan alleen een ander deze last van je schouders tillen. Vertrek van dierbaren uit de kerk gaat vaak samen op met de aankomst van schuld. Zodra de ander uit beeld is, komt schuld voor die persoon in de plaats. Het wordt je nieuwe gezelschap: als het ware een negatief van de dierbare die je zo mist.
Maar is dat wat zich als schuld aan je laat zien en je voortdurend aanklaagt, eigenlijk wel wat het beweert te zijn?
Deze week het tweede hoofdstuk uit de serie Achtergebleven. Voorlopig -voor de duur van de vakantie- het laatste. In augustus gaan we verder met hoofdstuk drie.

2. Schuld

Op een zondag gaven we het op. Lang hadden we hem vast proberen te houden in onze gewoonte om samen de kerkdiensten te bezoeken, hoewel hij al langer luid en duidelijk had laten weten dat niet meer te willen. Natuurlijk, we konden hem niet voor altijd vasthouden, dat beseften we heel goed. Ooit zou hij zelf moeten kiezen. Maar, dachten we, nu nog niet! Om hem nu al zo’n ingrijpende beslissing te laten nemen, hij is nog zo jong. ’t Is toch een keus voor een heel leven! En natuurlijk hoopten we en baden we dat zolang hij in de diensten kwam, er nog eens een moment zou komen dat hij er anders tegenaan zou gaan kijken. Maar ’t was zo langzamerhand een hele worsteling geworden: onze wil met zijn onwil. ’s Maandags waren we opgelucht dat we de zondag weer achter de rug hadden en zagen we alweer tegen de volgende zondag op. In de loop van de week zou de spanning steeds verder oplopen, wisten we inmiddels, om dan zondagochtend opnieuw te pieken. En als we dan eindelijk in de kerk zaten, waren wij murw en hij één brok verzet, die alleen daarom al niets meekreeg van wat er gebeurde. Wij ook steeds minder trouwens, aangeslagen als we waren.
Op den duur begrepen we dat het ons allemaal -er waren meer kinderen waar we rekening mee hadden te houden- meer schade opleverde dan dat iemand er ook maar iets mee kon winnen. We gaven de strijd op en de rust keerde weer. Tenminste in ons huis. In onze harten werd het nog onrustiger.

Als dan eindelijk de wegen scheiden en de worsteling voorbij is, komt er weer ruimte voor de zondag. Dat is aanvankelijk best een opluchting. Hoewel, zolang hij thuis woont, de verschillende levensstijlen pijnlijk langs elkaar schuren. In aanloop op de zondag komt hij ’s nachts laat thuis, te laat naar onze zin en wij staan ’s morgens vroeg op, te vroeg naar zijn zin.

De openlijke strijd mag dan gestaakt zijn, van binnen begint de worsteling nu pas echt.


De openlijke strijd mag dan gestaakt zijn, van binnen begint de worsteling nu pas echt. Schuld, schaamte, verdriet en zorgen wisselen elkaar af in een soort vicieuze cirkelbeweging. In het begin is het zo’n verwarde kluwen dat je er nauwelijks vat op krijgt. Zodra je ’s morgens wakker bent, gaat het wiel weer draaien. Overdag is er wel redelijk goed mee om te gaan, er is genoeg dat je afleidt, maar als het stil wordt maalt het wiel weer verder: schuld, schaamte, verdriet en zorgen.
 
Natuurlijk heb je er verdriet van. Het loopt immers heel anders dan je hoopte, misschien wel verwachtte. Je hoopte hem te zien opgroeien en daarbij ook zijn plek bij God te zien vinden. De plek waar jij je zo geborgen voelt gun je hem ook. Maar naarmate jullie wegen zich langer scheiden, weet je dat dit er voorlopig niet van gaat komen. Je hebt wel hoop en soms flakkert die door een opmerking of een gebeurtenis weer even op, maar vaker wordt je even later opnieuw teleurgesteld in je verlangen. Vooral in het begin moet die teleurstelling een plaats krijgen tussen jou en God. Je vraagt je af waarom God dit toelaat: het is toch niet alleen het liefste wat jij wilt, maar toch ook zeker wat Hij graag wil?
 
Niet iedereen zal het op deze manier meemaken. Lang niet altijd gaan kinderen hun eigen weg als ze nog thuis wonen. Uit onderzoeken blijkt dat kerkverlating veel vaker plaats heeft in een overgangsfase: nadat je kinderen uit huis gaan, als ze gaan trouwen, als ze afstuderen en bij een verhuizing. Dat laatste betreft trouwens niet alleen de jóngeren in een gemeente (Wijma, 2019). Voor de achterblijvers is dit waarschijnlijk iets milder. Je hebt dan meer zorgen op afstand, maar je wordt er niet steeds mee geconfronteerd.
 
Toch zullen er ook dan gevoelens van teleurstelling en schuld kunnen opspelen. En de zorgen zullen er niet minder om zijn, want je haalt je zomaar van alles in het hoofd. De meeste achterblijvers zullen daar waarschijnlijk toch niet aan ontkomen. Je vraagt je af wat er fout gegaan is in je opvoeding. Wat heb je nagelaten? Had je niet meer aandacht voor hem moeten hebben? Je verwijt jezelf dat je zo vaak weg was, had je niet beter thuis kunnen zijn voor je jongen? Of heb je er teveel bovenop gezeten? En al zegt je kind regelmatig dat ‘het niet aan jou ligt’. De vragen blijven knagen (De Boer, 1990, p.18).
En daar is ook altijd aanleiding voor, want zeker heb je fouten gemaakt: je was er inderdaad te weinig en hebt lang niet altijd de juiste prioriteiten gesteld, je kinderen hebben ook je nare kanten gezien en nee je was lang niet altijd consequent christen. En dan noem ik nog maar enkele dingen.

Realiseer je dat je zorgen en verdriet het negatief van je liefde voor je kind zijn

Wat is schuld?
De predikant Wim Rietkerk (2000) maakt een onderscheid tussen schuld en schaamte (p. 63). Schuld heeft te maken met het overtreden van een gebod, schaamte komt van teleurgesteld zijn in jezelf.
Je bent altijd wel ergens schuldig aan: je hebt de geboden gevolgd én overtreden. Is het niet één van de tien, dan toch wel één van de twee (Heb God lief en de naaste). Echter gezien de omschrijving van Rietkerk moet de vraag zijn: heb ik een gebod geschonden dat direct invloed had op het geloof van mijn kind. Dat kan natuurlijk zo zijn, maar het zal meestal niet zo zijn dat het geloof van je kind daarvan afhangt. De pedagoog Ter Horst is er heel duidelijk in: “…wie liefheeft kan pedagogisch gezien niet schuldig zijn” (Van der Kooi & Ter Horst, 2009, p. 42). “Natuurlijk zijn er dingen misgegaan! Maar de vraag waar het echt om gaat is: “Heb je gesjoemeld met de liefde,(…) dat wat is wat telt” (Ibid. p. 117).
 
Mochten er andere kinderen in je gezin zijn die wel geloven, dan hebben zij hetzelfde meegemaakt als je kind dat de kerk verliet. En toch zijn zij gaan geloven. Zij hebben vergelijkbare ervaringen met jou en met de kerk maar hebben er desondanks toch voor gekozen om in de kerk en dichtbij God te blijven (Van Westen, 2019, p.11). Het geloof van je kinderen hangt maar voor een heel klein deel van jouw doen en laten af. Er zijn heel veel gelovigen die ondanks een moeilijke jeugd niet van hun geloofsweg af zijn geraakt en in de kerk gebleven zijn.
 
Realiseer je dat je zorgen en verdriet het negatief van je liefde voor je kind zijn. En besef ook dat je invloed veel kleiner is dan je denkt. Dat geeft je soms een machteloos gevoel. Dat is maar al te menselijk, maar dat maakt je nog niet schuldig.
Kijk eens terug in de geschiedenis van Gods volk: waren Adam en Eva schuldig aan het gedrag van Kaïn, was Isaäk schuldig aan het ongeloof van Esau, was David verantwoordelijk voor de keuzes van zijn zonen en zou in de gelijkenis de vader schuldig zijn aan het vertrek van zijn jongste en verantwoordelijk voor de reactie van zijn oudste? Maken die kinderen niet allemaal ook hun eigen keuzen?
 
En toch, wanneer je op zondagmorgen de kerk inloopt, voel je je klein, als je al die complete gezinnen ziet zitten. Zij zijn er allemaal wel: vader, moeder, kinderen en soms ook nog hun aanhang. En even verderop in de kerk zitten opa en oma. Zij moeten toch wel iets heel goed gedaan hebben dat ze nog met zijn allen in de kerk zitten.
En dan al die blijde familiefoto’s op Facebook. Een grote kerkelijke bruiloft, waar iedereen van harte bij is. Niet alleen op het feest maar ook in de kerk. Een feestelijke doopdienst waar grootouders dankbaar bekendheid aan geven. En weer een openbare geloofsbelijdenis waar nu het vierde kind uit hetzelfde gezin belijdenis doet. Je gunt ze hun vreugde, maar bij iedere foto voel je je meer tekortschieten. Je voelt je zo klein worden dat je het liefst maar onopvallend helemaal achterin de kerk zou gaan zitten. Maar die keus heb je niet: jouw plaats is namelijk helemaal vooraan.
Je voelt je schuldig, maar als je de omschrijving van Rietkerk volgt is het eigenlijk een gevoel van schaamte: in vergelijking met de anderen, ben jij voor jouw gevoel de mist ingegaan. Je bent teleurgesteld in jezelf.

Geplaatst in Achtergebleven | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Naast Handelingen 8

De hoogteverschillen waren er on-Nederlands.

Daarom kon ik hen vanaf beneden, boven me op straatniveau, heel goed zien. Ik stond beneden voor de ’tombe van de maagd Maria’ in Jeruzalem en kon de hellemaal in het zwart geklede, orthodoxe, geestelijke boven me goed zien en de orthodoxe gelovige die op één knie, eerbiedig het hoofd gebogen, voor hem geknield zat, ook. De geestelijke leek zich het eerbetoon wat ongeduldig te laten welgevallen, hield hem, haast met tegenzin leek het wel, zijn hand voor. Die hij vervolgens met innige eerbiedigheid kuste. De geestelijke gaf hem geroutineerd een zegen en haastte zich verder. Zonder hem nog een blik waardig te keuren.

Het standsverschil tussen de geestelijke en de gelovige was in mijn ogen ook on-Nederlands

Het standsverschil tussen de geestelijke en de gelovige was in mijn ogen ook on-Nederlands. Het zag er allemaal maar wat arrogant uit in. De geestelijke kwam onvriendelijk en een beetje hautain over. De gelovige -een normaal geklede, moderne jongeman, haast slaafs. Ik vond het er maar naar uitzien: een geestelijke die niet vriendelijk en tegemoetkomend maar zo uit de hoogte met een medemens omgaat. Waarschijnlijk begrijp ik er niets van wat daar gebeurde, ik ben tenslotte niet orthodox, maar het zou naar mijn idee bij ons in Nederland niet begrepen worden. 
Dan merk je pas hoe zeer je Nederlander bent! Wij zijn de mensen van het allemaal gelijk-zijn en niet met het hoofd boven het maaiveld willen uitsteken. Bewoners van de polder, waar alles vlak is en dus naast elkaar ligt. Onze minister-president noemen we Mark (‘he Mark!), onze koning noemen we Alex, onze burgermeester heet Harm-Jan en de dominee noemen we gewoon Wieb. En dat vinden we allemaal prima: ook de minister-president, de koning, de burgermeester en de dominee.

Zijn wij nu te plat?

Zijn wij nu te plat? Bestaat er onder ons niet meer zoiets als respect en ontzag. 
Of zijn we als gelovigen ook zo gelijkwaardig aan elkaar. Ontzag is belangrijk, maar gelijkwaardigheid ook. Ik denk dat daar veel voor te zeggen is, zeker ook uit Handeling 8. Waar de Geest naast een zwarte eunuch uit Ethiopië komt lopen.

Geplaatst in Preken | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Confronterend

Foto door Andrea Piacquadio via Pexels

De dag die iedereen ooit meemaakt in zijn leven, is de dag dat het geloof zijn vanzelfsprekendheid verloor. Dat kan jezelf overkomen, wanneer een golf van twijfels je overspoelt. Een overstroming die allerlei oorzaken kan hebben: een onverwachte kijk achter de schermen, teleurstelling in verwachtingen, of boosheid over onrecht. Voor jezelf kan dat een heftig dieptepunt zijn. Je kunt het er heel zwaar mee hebben als je geloof door je vingers lijkt te glippen.
Maar het is nog veel moeilijker wanneer je dat moet aanzien bij iemand die je dierbaar is.
Getuige te zijn van iets dat je de ander niet toewenst is pas echt zwaar. Anders dan bij jezelf ben je in dit geval een outsider. Je kunt het niet overzien, je hebt er geen invloed op. Toch wil je de ander beschermen. In feite ben je grotendeels machteloos, maar dat besef je lang niet altijd. Het zou zomaar kunnen dat je probeert invloed op dit gebeuren te krijgen. En dan kan er veel fout gaan.
Als vervolg op de inleiding van de vorige keer, nu het eerste hoofdstuk over deze confronterende ervaring. Tussen haakjes staat zo nu en dan een verwijzing naar andere literatuur. Deze bronnen zijn via de knop rechtsboven op deze pagina te raadplegen.

1. Schrik 

Toen ik na het bidden mijn ogen opendeed, keek ik haar recht in het gezicht. Haar ogen waren wijd open en ik besefte dat ze niet meegebeden had. Ik schrok ervan, het was immers niet de eerste keer dat ik dit meende te merken. 

Misschien komt je dit niet zo bekend voor en lijkt het je overbezorgd. Niet iedereen is immers op elk moment een voorbeeld van geloof en je kind staat nog maar aan het begin van haar geloofsweg. Ze moet haar eigen keuze nog maken en de praktijk van het dagelijkse geloven leren. En dat is ook zo natuurlijk. 

Maar als je in je vrienden- of familiekring eenmaal hebt meegemaakt hoe iemand bij het geloof wegdreef, kan het zomaar zijn dat je op je hoede bent voor de eerste verschijnselen van geloofsverlies om er op tijd bij te kunnen zijn voordat het te laat is. Want bij die eerdere keren was er geen praten meer tegen en dreef het geloof van je vriend gestaag uit je beeld tot er niets meer van te zien was. Jullie gesprekken en jouw gebeden hadden daar niets aan kunnen veranderen. Het kwaad was al geschied! En wat blijft is het zelfverwijt: “had ik het maar eerder gezien!”

Je schrik is waarschijnlijk ook te verklaren uit de prioriteiten die je voor jezelf ziet. Je hoopt voor je kinderen dat ze gezond zijn, dat het goed gaat op school, dat ze een plek vinden in de samenleving en dat ze gelukkig worden. En toch, als dat allemaal goed gegaan is, misschien nog wel beter dan je verwacht had (in ieder geval anders dan je gedacht had), maar ze zijn hun geloof kwijtgeraakt, dan is voor je gevoel het verlies veel groter dan de winst. Je opvoeding is pas echt geslaagd als ze voor zichzelf hun geloof in de Heer gevonden hebben. En dat vind je niet omdat je graag als een geslaagde opvoeder gezien wilt worden maar vooral omdat je juist dát het belangrijkste vindt. Immers hoe zal iemand het geluk vinden zonder God (Luc. 9:25)?

En je kent de trend die nu al vele jaren aanhoudt: in Nederland weten veel jongeren de weg naar de kerk, en niet zelden ook die naar het geloof, niet meer te vinden (De Hart, 2014, p. 69v).

Een vanzelfsprekende verwachting dat onze kinderen ons volgen in ons geloof hebben we allang niet meer. En dat zet nog eens te meer druk op onze geloofsopvoeding.

Tegennatuurlijk reactie

Wat doe je als je iets belangrijk vindt? Je houdt het stevig vast! Toen je die ogen van je dochter zag, groeide in jezelf de bijna onbedwingbare behoefte om ‘het bespreekbaar te maken’. De eerste keren dat je het ziet, laat je het nog aan je voorbijgaan, je wilt een gesprek immers in een goede sfeer voeren. Je wilt haar immers helpen, dat is je drijfveer. Daarom zoek je naar een geschikte gelegenheid, zodat je het gesprek in een vertrouwde sfeer kunt voeren. Zodat ze zich veilig voelt en beseft dat ze je alles mag vragen. Je motivatie is groot en diep: je wilt heel graag proberen haar van dienst te zijn met alles wat je zelf inmiddels geleerd hebt.

Wat doe je als je iets belangrijk vindt?
Je houdt het stevig vast!

Maar vindt maar eens een gelegenheid waarin zoiets rustig aan de orde kan komen, het is zo kwetsbaar! Want, hoe doe je dat zo dat het inderdaad tot een goed gesprek komt?

En dan, op een dag, gebeurt het zomaar, wanneer je weer eens die ogen van je dochter ziet, dat je van binnen heel onrustig, terwijl je er uiterlijk heel beheerst uit probeert te zien, bijna achteloos vraagt: ‘bid je niet mee?’ En zij reageert dan bijna direct met: ‘jawel hoor!’
Je gelooft haar niet helemaal, maar je durft niet verder vragen, bang als je bent om haar vertrouwen te verliezen. En als je eerlijk bent is dit ook het liefst wat je wilt horen, dus laat je het er voor deze keer maar bij. Maar dat betekent niet dat je nu gerustgesteld bent.

Een hele tijd geleden sprak ik met een nog nieuw lid van onze gemeente, maar hij was al jaren christen. Hij was vertrokken uit zijn vorige kerk omdat hij en zijn vrouw zich er vreemder en vreemder waren gaan voelen. Bij een bezoek aan onze gemeente vonden ze het ‘oude en vertrouwde’ weer terug. In het kennismakingsgesprek destijds had ik benadrukt dat wij als gemeente niet als belangrijkste doel hadden ‘oud en vertrouwd’ te blijven, ons doel was immers onze Heer te volgen in onze tijd.
Na een jaar of wat vroeg ik hem of hij zijn plek in de gemeente had kunnen vinden. ’”Ja”, was zijn bedachtzame antwoord, maar er was hem wel wat opgevallen, nl. dat wij in de gemeente onze jongeren zo strak aan het lijntje probeerden te houden. “Ze moeten een keer hun eigen keuze maken, daar moet je ze de ruimte voor geven.”

Vasthouden door los te laten, dat lijkt in strijd met elkaar en voor je gevoel is het dat ook. Net zoals je je kind bij het leren fietsen los moet laten zodat het zelf leert fietsen, moet het ook zelf tot een echte, d.w.z. eigen, keuze voor het evangelie kunnen komen. En dat kan alleen als jij er ruimte voor geeft. Die keuze is iets tussen God en je kind. Ze is niet maakbaar en laat zich niet door jou controleren. 

Je kind is geen kind meer, maar een jongere op weg naar de volwassenheid. Toen het nog klein was deed het jou na en leerde zo haar eerste stapjes in het geloof te zetten. Ze wilde graag zoals jij zijn en haar kindergeloof is voor haar ook daarom vanzelfsprekend.  Ze wil een bijbeltje zoals jij dat hebt en ze wil meezingen zoals jij dat doet. Maar als puber probeert ze zich van jou los te maken om het nu zelf te leren. Dat is geen keuze tegen jou, maar een keuze voor haar eigen volwassenheid. Hoewel het voor haar niet zo bewust is als ik het hier beschrijf. Ze voelt het zo, meestal zonder te kunnen zeggen waarom ze het zo voelt. Het lastige is dat jij voor haar gevoel instaat tussen haar en haar zelfstandigheid. Net als jij zo graag eens met haar wilt praten over haar geloof, wil ze er waarschijnlijk niet met jou over praten. Dus luistert ze dan het minst naar jou. Integendeel: ze doet vaak precies het tegenovergestelde van wat jij haar zegt. De pedagoog Wim ter Horst noemt dat ‘omgekeerde gehoorzaamheid’ (Van der Kooi & Ter Horst, 2009, p. 89). Wat je ook doet of zegt, er moet ruimte voor een eigen keuze in zitten, anders werkt het zeer waarschijnlijk net omgekeerd uit.

Wat zou het mooi zijn als er op dat moment iemand anders uit je gemeente het vertrouwen van je dochter heeft, dan zou ze dáár terecht kunnen met haar twijfels en vragen. 

Keuze

De oudste gemeenteleden onder ons dragen nog een herinnering aan ‘vanzelfsprekend geloven.’ in zich mee. Je ging twee keer mee naar de kerk, dat moest van je ouders. Geen wonder want in jouw omgeving ging iedereen twee keer naar de kerk. Geloven leek toen werkelijk vanzelfsprekend, bijna iedereen was immers ergens lid van de kerk. Je ouders vertelden je over God, je ging met hen mee naar de kerk, je ging naar catechisatie en vereniging en als je achttien werd deed je Openbare Geloofsbelijdenis. Zoals vrijwel iedereen dat deed. Het waren enkelingen die afweken van de regel en over hen werd nog lang nagepraat. Door hun gedrag kwamen ze niet alleen buiten de gemeente maar soms zelfs buiten de plaatselijke gemeenschap terecht.

Toch was toen lang niet iedereen die lid werd, diep overtuigd van het geloof. Zelfs niet alle jonge mensen die belijdenis hadden gedaan. Sommigen deden belijdenis om maar van de catechisatie af te zijn. Natuurlijk zeiden ze dat niet hardop, maar ‘off the record’ wisten gemeenteleden dat best. Niet iedereen zat in de kerk omdat ze daar heel bewust zelf voor gekozen hadden, velen ook omdat ‘het zo hoorde’. Voor nogal wat ouders hoorde dat ook bij het proces van tot geloof komen: eerst moest een jongere de wilde haren kwijt raken en als dat gebeurd was kwam de rest van het kapsel op den duur vanzelf wel in model.  Als het leven zich in alle ernst aan hen liet zien, werden zij zelf doorgaans wel serieuzer; ook in hun geloof. En zolang ze maar in de diensten kwamen, kon de Heilige Geest met hen aan werk. Wat niet is kan immers nog best komen. En zo ging het ook: een heel stel jongeren kwam later in de slipstream van het geloof van hun ouders alsnog tot geloof. Dat is het voordeel van in kerkelijke kringen verkeren: je blijft met het evangelie in aanraking.


Gemeenteleden die uit die tijd stammen reageren op de onwillige jongeren van nu wel eens met: “laten ze normaal doen!”. Ze hebbende indruk dat de ouders van nu hun kinderen geen strobreed meer in de weg leggen. Dat hoor je hen soms ook zeggen: de ouders van tegenwoordig moesten maar wat strenger voor hun kinderen zijn. Goed bedoeld, want zo werkte dat in hun jeugd: het was normaal om naar de kerk te gaan, normaal om te gaan geloven.

Geloofsoverdracht is daarom een zoektocht naar de heilzame ruimte waarin de vonk kan overspringen.

Maar als de jongeren van tegenwoordig echt gaan doen wat men nu normaal vindt, laten ze zich niet meer in de kerk zien, net zoals de meeste van hun leeftijdsgenoten in Nederland. Wie nu nog naar de kerk gaat, is juist ab-normaal. Kijk dus maar uit wat je tegen de jongeren in je kerk zegt, straks doen ze het ook nog.

Ruimte

Maar wat kun je eigenlijk wel doen? Hoeveel ruimte is nog gezond? Moet je je kind dan helemaal maar los laten? ‘Er is ruimte tussen generaties, dat kan ook niet anders, maar er is ook ruimte die je beslist niet wilt’, schrijft de Amerikaanse voorganger en docent Eugene Peterson (1994, p. 40/41). Zoals die tussen de muur en een kozijn. Door dat gat kan een kille tochtvlaag je huis binnenkomen. Andere ruimte is daarentegen weer gewenst, ja zelfs noodzakelijk, zoals die tussen de polen van een bougie. Daarvoor geldt: geen ruimte ook geen vonk en dat betekent weer dat de brandstof niet ontsteekt en de motor niet gaat lopen. Dat is niet veel anders met geloven: als de vonk niet overspringt zal je kind nooit zelfstandig kunnen geloven. Als ouders hun kinderen niet de gelegenheid geven hun eigen koers te gaan maar hen strak in hun (eigen) spoor proberen te houden, verhinderen ze hun kinderen een eigen, vrije keuze te kunnen maken (Peterson, 1994, p. 27). En het is een kenmerk van geloven dat je die keuze voor geloven alleen zelf kunt maken, mag je het anders geloof noemen? De kleine Samuël moest zelf antwoord geven op de stem van God die hem riep, dat kon zijn pleegvader Eli niet voor hem doen, zelfs al was hij de hogepriester van Israël. Hij kon zijn pleegzoon alleen maar de weg wijzen naar het goede antwoord (1 Samuël 3). Geloofsoverdracht is daarom een zoektocht naar de heilzame ruimte waarin de vonk kan overspringen.

Machteloosheid (slot)

Deze alinea’s zijn niet bedoeld als een mini-cursus geloofsopvoeding, ze zijn ook geen inleiding op een wetenschappelijk verantwoorde, in de praktijk beproefde en inmiddels bewezen opvoedingstechniek en nog minder een soort ‘eerste hulp bij geloofsopvoedings-ongelukken’. Dat zou de verkeerde indruk wekken.

De waarheid is dat je geen echte controle over de geloofsweg van je kind hebt. De missioloog Stefan Paas (2019) wijst erop dat zelfs de Heer Jezus geen controle nam over het geloof van zijn volgelingen (Joh. 6, 67-68). Hij maakt heel duidelijk dat hun eigen keuze cruciaal is. Het hoort bij de aard van het evangelie dat je er, tenminste vanuit menselijk perspectief, zelf voor hoort te kiezen om de Heer Jezus daarin te volgen. ‘Vrezeloze vrijheid’ noemt Paas dat. Zo laat zich de reactie van de Heer ook typeren, als veel volgelingen hem in de steek laten zeg Hij tegen de leerlingen die nog over zijn: “Willen jullie soms ook weggaan?”. Hij legt de keuze opnieuw bij hen. Het evangelie laat zich niet dwingen. Kinderen moeten kunnen kiezen in een sfeer van ontspannen uitnodiging. Biedt hen, net als je Heer doet, ruimte. Jongeren moeten vrij zijn om te kiezen, juist dan kan het evangelie een onontkoombaar verhaal worden.

Jongeren moeten vrij zijn om te kiezen, juist dan kan het evangelie een onontkoombaar verhaal worden.

Je hebt geen controle over de geloofsweg van je kinderen. Je rol in het geloven van je kinderen is veel kleiner dan je zelf vaak bedenkt. Je kunt alleen maar invloed uitoefenen: ten goede en inderdaad ook ten kwade. Maar desondanks gaat het ene kind geloven en het andere niet, terwijl ze uit hetzelfde gezin komen. Geloven is dus iets van een geheim tussen je kind en God, waar je zelf buiten staat. Dat betekent dat je er beter niet hinderlijk tussenin kunt gaan zitten. Besef dat je op dit terrein maar klein en machteloos bent. Daarom hoort het doorgeven van geloof voor alles in je gebeden thuis.

Maar als het dan niet loopt zoals je hoopt en bidt, is dat dan te verdragen?

Geplaatst in Achtergebleven | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Wie?

…opent en Wie sluit? (Handelingen 5: 12-42)

“Ik herinner me nog dat de straten in Harderwijk op zondagmorgen vol met mensen waren die op weg waren naar hun eigen kerk.”, zei een van de bidders in onze gebedsgroep. We waren in gesprek geraakt over onze kerkelijke gemeenten na Corona. Daarin waren best wat zorgelijke geluiden te horen: komen onze gemeenteleden wel weer terug naar de kerkdiensten nu dat weer kan? Na wat tussenstappen had die vraag zich verbonden met ontwikkelingen die nu al tientallen jaren gaan de zijn in de kerken. 
Nu ken ik Harderwijk niet van vroeger, maar ik herinner me wel hoe zelfs de hoofdstraat van onze kleine Groningse dorp op zondagmorgen bevolkt was met dorpelingen die elkaar al of niet groetend passeerden op weg naar de verschillende kerken in het dorp. Tegenwoordig is het in Harderwijk op de zondagmorgen erg stil. Je bent als een van de weinigen al op de been en probeert een beetje stil te doen om de anderen niet wakker te maken. Je hoort de kerklokken verderop luiden, maar je krijgt niet de indruk dat dit veel uithaalt. Zondagsmorgens ervaar je in Harderwijk echt dat je bij een minderheid hoort. 

Als je die achteruitgang van de kerken nu al tientallen jaren meemaakt, kun je gaan denken dat de kerken in Nederland hun langste tijd gehad hebben. Dat gevoel wordt nog eens versterkt als je met jongeren in de gemeente praat die lessen volgen op hun universiteit of beroepsopleiding. Niet zelden hangt er een wat vijandige sfeer als het gesprek op de kerken of op het christelijk geloof komt. Docenten en ook medestudenten laten hen duidelijk merken dat die bij het bedenkelijke verleden van Nederland horen. Christelijke studenten hebben vaak het gevoel dat ze zich aldoor moet verantwoorden voor hun geloof. Ze herkennen zich niet in het negatieve beeld dat de meerheid van het christelijke geloof heeft. De stilte op zondagmorgen, de tegenwind die je ervaart op je opleiding, kerkleden die hun lidmaatschap van de kerk opgeven kunnen gemakkelijk het gevoel geven dat je als christen bij een verdwijnende groep in de onze samenleving hoort.

Je vraagt je af wat de eerste ‘mensen van het nieuw leven’ in Jeruzalem gedacht hebben toen hun voorgangers steeds weer met de autoriteiten in aanraking kwamen. Hun aantal was spectaculair gegroeid van zo ongeveer 120 tot wel meer dan 3000 leden op een dag, later zelfs tot meer dan 5000. Maar de laatste tijd kwamen er niet echt veel gelovigen meer bij. Hoewel hun beweging nog altijd heel populair was in de stad, durfde zich bijna niemand van hen meer openlijk bij hen aan te sluiten. Er hing een nare spanning in de lucht, die de mensen bang maakten. De religieuze leiding van de tempel was duidelijk niet blij met hun aanwezigheid op het tempelterrein. Ze daagden de leiders van de nieuwe beweging voor het Sanhedrin en verboden hen ‘die naam’ (die van Jezus, maar zij namen die niet in de mond) nog weer in de mond te nemen [Han. 4:17v].

De hoeders van de tempel stonden duidelijk negatief tegenover de beweging van Jezus en hun leiders. De rest van Jeruzalem was belangstellend, maar wilde het niet openlijk opnemen tegen de religieuze leiding. Ze vreesden voor de gevolgen, daar hadden ze al meer van gezien.

Kunnen wij iets leren van die tijd? Als de elite in de samenleving nogal negatief is over het christelijk geloof en de kerken die daaruit ontstaan zijn, kunnen wij christenen dan ook beter maar in dekking gaan als we zoveel negativiteit tegen komen. Of mag je eigenlijk iets anders van ons verwachten?

In de derde aflevering van de serie “De kerk na Pinksteren’ buigen we ons a.s. zondag over Handelingen 5: 12-42. Wees welkom.

Geplaatst in Preken | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

De andere kant van kerkverlating

Photo by Ethan Sykes on Unsplash

Er is bijna geen familie of vriendenkring die het niet heeft meegemaakt dat er dierbaren uit hun kerk vertrokken zijn. Soms is dat naar een andere kerk! Dat is niet leuk, maar je kunt er wel mee leven. Je geloof blijft meestal bespreekbaar, al is men de dingen soms anders gaan zien. Maar je mist elkaar wel: je komt elkaar niet meer tegen in de gemeenschap die je eerder samen deelde.

Veel dieper wordt dat gemis wanneer je ook elkaars levensovertuiging niet meer deelt. Dat is niet alleen voor de kerkverlater pijnlijk, maar ook voor hun relaties die achterblijven in de kerk. Immers met die dierbaren vertrekt ook de vanzelfsprekendheid van hun plaats in die gemeente uit hun leven. Een deel van het leven speelt zich nu voor hen -ook privé- buiten die gemeenschap af.
Terwijl de gevolgen van kerkverlating voor de kerkverlaters de laatste jaren meer in beeld komen, is dat nog niet zo voor hen die achterblijven. Het vertrek van hun dierbaren laat niet alleen een gapend gat achter maar voltrekt zich vaak ook in een grote stilte. We praten er in de gemeente bijna niet over. Om allerlei redenen zou dat wel goed zijn. Vandaar dat ik er in 2021 mijn studieverlof aan wijdde. Leidende vraag: wat kan de gemeente betekenen voor de kerkverlater én voor de achterblijvers. Het resultaat van die studie is uitgegroeid tot een klein boekje.
Voor belangstellenden zal ik dit boekje in gedeelten via deze site ter beschikking stellen Het is mijn hoop dat we – in ieder geval in de NGK Ermelo – een leesgroep kunnen vormen die ervaringen met elkaar kan uitwisselen. Wie weet waar dat weer toe kan leiden. Laat wie belangstelling heeft om deel te nemen in een leesgroep dat aan mij via mail of whatsapp melden. We zouden dan afspraken kunnen maken om in het nieuwe kerkelijke seizoen hierover een aantal avonden door te spreken.

Het vertrek van hun dierbaren laat niet alleen een gapend gat achter maar voltrekt zich vaak ook in een grote stilte. We praten er in de gemeente bijna niet over.

Hieronder het voorwoord en de inhoudsopgave, waarin meer over wat je in dit boekje kunt verwachten.

Vooraf

Het aandeel Nederlanders van 15 jaar of ouder dat regelmatig een religieuze dienst bijwoont is ook verder afgenomen. Van de 15‑plussers ging in 2012 nog 17 procent regelmatig naar een dienst, dit is teruggelopen naar 13 procent in 2020.

Een bericht waarvan je er de laatste jaren wel meer leest. Ze dringen niet altijd goed tot je door. Misschien is dat wel omdat je er niet echt aan wilt. Zoals die ouderling die jaren geleden al eens tegen me verzuchtte: “dat we de zaken niet zo somber moeten zien”.

Maar als je het zelf meemaakt in je naaste omgeving dan heb je die mogelijkheid niet, dan moet je de feiten wel onder ogen zien. Dat kost in veel kerkelijke gemeenten nog moeite genoeg. Je hoort nog heel vaak verzuchtingen in de stijl van die ouderling toen. Toch denk ik dat het inmiddels wel tot meeste kerkenraden en hun gemeenten is doorgedrongen, dat geloven voor de jongeren geen vanzelfsprekendheid meer is. Laat staan bij een kerk horen en die bezoeken. Zelfs niet als ze wel geloven. Het heeft lang geduurd voordat we dat wilden zien, maar meer en meer krijgen we het erover. Regelmatig kun je er tegenwoordig ook over lezen. Van de kant van de kerkverlaters in ieder geval.

Maar over een andere groep hebben we het nog maar heel weinig: die van de relaties van de kerkverlaters, die in de kerk achterblijven. Het vertrek van hun dierbaren, laat ik zo hun vertrekkende kinderen, familieleden en vrienden e.d. maar noemen, betekent ook voor hen het vertrek van de kerkelijke vanzelfsprekendheid. Zij blijven verdrietig, verslagen en soms zelfs boos in hun kerk achter en zijn daar doorgaans heel alleen in. Het gaat veel over de oorzaken van kerkverlating, veel minder over de gevolgen ervan. De laatste jaren hoor je iets meer over het trauma dat het kan zijn voor hen die de kerk verlieten, veel minder gaat het over de verwondingen van hen die achterblijven. Ik weet nog hoe verrast ik was toen ik het boek van de inmiddels overleden theoloog Eugene Peterson, ‘Like Dew your Youth’ las. Dit boek ging nu eens niet alleen over de oorzaken maar over de gevolgen, ook voor de relaties van de jongeren die moeite met de kerk hebben, want daar gaat dit boek over.

Achterblijvende gemeenteleden praten niet zoveel over het vertrek van hun dierbaren. Gevoelens van schuld en schaamte zitten in de weg. En de anderen praten er uit verlegenheid maar met niet met hen over: wat moet je zeggen? En van degenen die het wel doen zou je soms wensen dat ze hun goede bedoelingen voor zichzelf gehouden hadden. Een extra reden voor de achterblijvers om het er verder maar helemaal niet meer over te hebben.

Over hun dierbaren gaat het dan ook niet meer in de gemeente. Na een aantal jaren is het alsof ze er nooit geweest zijn. En dan wordt het pas echt stil voor de achterblijvers. Om hen heen dan, in henzelf is het zelfs na jaren soms nog heel onrustig. Het mag dan zo voorkomen dat de vertrekkers uit het hart van hun broers en zussen in de gemeente verdwenen zijn, natuurlijk zijn ze dat niet uit de harten van de achterblijvers.

Tijdens een pastoraal bezoek gaat het er wel eens over, maar niet vanzelfsprekend. Immers de bezoeker vertegenwoordigt de kerk en in de kerk hebben we het er niet over.

We delen zo’n verdriet meestal niet, zelfs al zijn we leden van dezelfde gemeente. En dat heeft meer gevolgen dan ons lief is. Immers, een dergelijk verlies en gemis is een deel van je wezen. In dat deel van je leven ben je niet met de anderen verbonden. Als gevolg daarvan kom je ook losser te staan van de andere gemeenteleden. Je hoort er niet meer zo bij. Ik beleef dat om meer redenen als een gemis.

Dit boekje is strikt genomen ontstaan als het resultaat van een studieverlof in de zomer van 2021, maar het is in de loop van zo’n veertig jaar gegroeid. In die periode heb ik heel wat mensen uit mijn omgeving de gemeenten waar ik lid van was zien verlaten. Het is min of meer gewoon geworden regelmatig iemand te zien vertrekken, en toch went het nooit. Ook niet dat we er met elkaar bijna nooit over kunnen praten op een manier die goed doet. Hieronder een poging om tot een gesprek met de ‘achterblijvers’ te komen. Persoonlijke reacties op, ervaringen vanwege en gedachten over ‘vertrekkers’ volgen elkaar op in de elf hoofdstukjes die volgen. Stuk voor stuk aanleidingen voor een nader gesprek hierover met vertrekkers, lotgenoten, gemeenteleden en ook God.

Voor een gevoelig thema als dit moet je de juiste woorden vinden. Die heb ik lang niet allemaal in huis.  Ik heb veel geleend van anderen, die indrukwekkend geschreven en gesproken hebben over allerlei aspecten van kerkverlating en gemis. Vaak verwijs ik naar hen in de tekst. Ik ben hen dankbaar voor alles dat ze me gegeven hebben. Achterin het boekje is een lijst met bronnen opgenomen. Zo kan ieder die dat wil heb hen zelf raadplegen.

Wat zou het mooi zijn als veel vertrekkers weer in beeld komen bij hun voormalige gemeenten, omdat we er in slagen over hen te spreken met wie er van hun relaties nog lid zijn van die gemeenten, de achterblijvers. Ook voor hun dierbaren zou het een enorm verschil zijn als ze met hun verdriet in het hart van de gemeente kunnen staan. En voor wie in beeld is, ga je vanzelfsprekend ook weer bidden. En dat is grote winst.

Het is mijn hoop dat deze woorden het begin van gesprekken in de gemeenten van de achterblijvers zijn. Dat die hun gemis kunnen delen, ervaringen kunnen uitwisselen, wijsheid kunnen vinden en -niet onbelangrijk- broers en zussen in de gemeente vinden met wie zij samen kunnen bidden en troost vinden. Dat zou een mooi gevolg van zulke gesprekken zijn.

Wil je hierover praten, laat het me dan weten!

Geplaatst in Achtergebleven | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Mooie droom?

Eigenlijk zou je komende zondag in kringen bij elkaar moeten gaan zitten in de kerkdienst
(En als je nog niet in een kring zit, voor de duur van de dienst even een tijdelijke kring vormen).
Want dit moet je niet alleen lezen of naar een preek hierover luisteren, maar hier moet je samen even over nadenken en praten. Je moet de woorden proeven, beoordelen en laten bezinken en je afvragen: Welke betekenis hebben ze voor ons vandaag?

We lezen het overbekende gedeelte uit Handelingen 2, de verzen 41-47 (begin maar bij vers 37). Over een gemeente die voor de Heer en voor elkaar in vuur en vlam staat. Is dit een heftig gevolg van de komst van de Geest toen, maar moet je dat nu niet meer verwachten? Of het is anders: kun je dit soort gemeenteleven verwachten als we de Geest de ruimte geven? Dat is nogal een vraag, maar het is wel belangrijk die onder ogen te zien.

Over een gemeente die voor de Heer en voor elkaar in vuur en vlam staat. Is dit een heftig gevolg van de komst van de Geest toen, maar moet je dat nu niet meer verwachten?

In het eerste geval is het mooi om naar te kijken, hoe de Geest het leven van mensen totaal verandert. In een eruptie van geloof en liefde. Net zoals een vulkaanuitbarsting een adembenemend gezicht kan zijn. Je komt onder de indruk van de het prachtige gezicht van de gloeiende lava, het loeiende geluid van de vuurpluim boven de krater en de enorme krachten die het landschap veranderen. Je kunt er urenlang naar kijken en diep onder de indruk komen van de krachten die onder het aardoppervlakte schuilen. Maar gelukkig stopt de uitbarsting na verloop van tijd ook weer: onze aarde zou zoveel verandering niet langer aankunnen. Net zo zouden wij de kracht van de Geest nog niet zo ongedempt en ongefilterd kunnen verdragen in onze levens zoals ze nu zijn. Maar we zien al wel wat er in de toekomst mogelijk is en daar kunnen we nu al warm van worden.

Kan deze tekst iets betekenen voor ons gemeenteleven nu? Zo ja, wat dan? Zo nee, waarom kan dat niet meer zo.

In het andere geval is het een signaal dat we ingeslapen zijn. Deze eerste christelijke gemeente laat ons zien hoe het gemeenteleven kan zijn als we de Geest de ruimte geven. Die kracht die dan vrijkomt zou ons (gemeente)leven naar een hoger niveau tillen en ons samenleven in onze gemeenschap enorm verrijken.
Gaat het hier over een constante stroom van kracht, zoals een stevige stroom water het wiel van een watermolen in beweging brengt. Die kracht drijft allerlei andere instrumenten aan, zoals maalstenen, boomzagen, en oliepersen. De kracht geeft ons mogelijkheden die we anders niet tot onze beschikking zouden hebben. Zij drijft de kracht van de Geest ons aan om instrumenten van de Geest te kunnen zijn in onze gemeenschap en ze geeft ons mogelijkheden die ons anders niet ter beschikking stonden.
Echter zoals we het hier lezen, is het bij ons meestal niet. De vragen worden dan andere: wanneer is dit soort gemeenteleven verloren gegaan? En wat verhindert de Heilige Geest om bij ons ook zoiets los te maken? Of lees:welke hindernissen hebben wij opgeworpen, waardoor de Geest de ruimte niet krijgt in ons midden?

Hoe dan ook, zo’n krachtig gemeenteleven ontstaat niet vanzelf, dan zou het er nu nog wel net zo zijn. En je bewust te zijn van deze geestelijke krachten, haar mogelijkheden te kennen en er naar te verlangen is blijkbaar ook niet genoeg. Immers drie jaar geleden hebben we het ook al eens over deze tekst gehad en helemaal uitgeplozen wat van belang is om dicht bij deze Geest te blijven: bijbellezen, met elkaar optrekken, bidden en de tafel delen.
Een jaar daarvoor was een preek over deze tekst op het gemeenteweekend zelfs de aftrap voor het jaarthema: ‘een levende gemeente!’ Het gaat hier over samen ontvangen, samen leren, samen eren, samen leven en samen zorgen was het toen. Ik begon mijn preek toen met een mooie droom over hoe dit in onze tijd in onze gemeente er uit zou kunnen zien. Veel van jullie reageerden daar toen enthousiast op. Zijn jullie nog enthousiast over die droom? Of breekt het ons bij de handen af. Hoe komt dat dan?

Veel vragen heb je, zullen jullie zeggen. Maar ik hoop dat we komende zondag deze tekst niet alleen weer eens aan de orde krijgen (misschien is het wel de zoveelste keer in je leven), maar hierover ook verder aan de praat komen. Kan deze tekst iets betekenen voor ons gemeenteleven nu? Zo ja, wat dan? Zo nee, waarom kan dat niet meer zo.
Is dit gemeenteleven van deze eerste gemeente alleen maar een mooie droom of kan het ook voor ons het begin van groei zijn.

Wees welkom zondag voor het gesprek, ik zie er naar uit.

Geplaatst in Preken | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Top – Handelingen 2: 1-21 – Pinksteren

In de kring van de collega’s vertelde ik eens dat ik zo worstelde met het slechte nieuws uit Syrië.
Iedere dag raakten mij in het radiojournaal waarmee ik ’s morgens toen wakker werd, de nieuwe gruwelijkheden die alweer overtroffen wat ik eerder gehoord had.
De machteloze afkeer en verdriet ontlokten in mij steeds weer een diepe zucht en stempelden het begin van mijn dag.
Een collega verraste me in zijn gebed door mijn gevoelens te omschrijven als een last die ik droeg doordat God me met de ogen van zijn Geest naar de oorlog liet kijken. Daar had ik nog nooit zo naar gekeken. Zou dat kunnen, dat Geest van God zijn gevoelens bij die afschuwelijke oorlog in mijn hart liet resoneren?

Bij de Klaagmuur in Jeruzalem raakte me de blijdschap waarmee de familie de Bar Mitswa van hun zoontje vierden. Vanuit de Poort van Robinson kwamen ze me zingend en dansend tegemoet.
Hun zoontje trots voorop met de Torahrol in zijn armen.
Het lukte me niet te stoppen met filmen: het trof me zo.
Hij zag mij, keek me even wantrouwend aan, zag mijn ogen en begon toen trots te glimlachen.
Twee mensen van verschillende generaties uit verschillende culturen hadden even echt contact.
Ik was verwonderd: dit was meer dan elkaar zien.
Zou het kunnen dat de Geest in mij reageerde op de blijdschap van die plechtigheid?

Twee mensen van verschillende generaties uit verschillende culturen hadden even echt contact.

We zingen na de preek een lied in de kerk.
Ik voel een rilling door me heen gaan: het zingen neemt ons mee omhoog.
Verwonderd onderga ik de ervaring en vraag me af wat er gebeurt.
Later denk ik: is het de Geest in ons die binnenin ons antwoord geeft?

Vijftig dagen na de opstanding van Christus komt zijn Geest op aarde wonen.
Dat verandert de beleving van alles wat daarvoor was.
De woorden van God krijgen weerklank van binnenuit.
Het spreken over God krijgt een vurigheid diepte eerst niet had.
medegelovigen voelen zich met elkaar verbonden op een manier die ze nog helemaal niet kenden.
De Geest brengt alle eerdere ervaringen en gedachten op een hoger niveau.
Naar de top zou je kunnen zeggen.

Zondag bezinnen we ons op wat dit voort ons betekent, en vieren we -opnieuw- de komst van de Geest in ons midden.

  1. helden zijn voor mijn mensen die durven… Durven hun dromen achterna te gaan. Durven de dromen die God voor hen…

  2. Helden heb je in soorten en maten. De helden van TV waren voor mij ook Floris, maar ook de man…

  3. Wieb Dijksterhuis – Harderwijk – Predikant met Groningse wortels die sinds 2000 in het midden van land woont, samen met zijn vrouw. Hun vier kinderen wonen inmiddels tussen Ermelo en Hasselt (BE). Van 2006-2016 predikant in NGK de Ontmoeting (Voorthuizen-Barneveld). Vanaf 31 januari 2016 de voorganger van de NGK van Ermelo, een warme gemeente tussen de randmeren en de Veluwse bossen. Zijn roots blijven hoorbaar en merkbaar. Hij kan het niet helpen de wereld 'toch' vanuit een Gronings standpunt te blijven bezien.
Geplaatst in Preken | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Wie is jouw held?

Hebreeën 11: 8-16 – jongerendienst (Spring) – 29-05-202

Floris en Sindala waren mijn grote helden toen ik klein was.
Niemand kent ze nu nog, maar toen waren ze heel bekende Nederlanders.
De ridder (Floris) en zijn magiër (Sindala).
Iedere week was er een nieuwe aflevering op de TV.
Ze beleefden allerlei avonturen en wonnen het uiteindelijk altijd. Maar spannend dat het was!

Zoals Floris wilde ik ook zijn: blond, groot en sterk met een helm, een zwaard en een paard.
Blond was ik wel (vroeger), maar groot niet en ook niet zo sterk, maar ik deed net alsof.
Mijn zwaard was van hout, mijn helm van karton met daarin een klein raampje van doorzichtig plastic en mijn paard was mijn fiets.
In onze buurt beleefde ik allerlei avonturen, verjaagde vele schurken en kreeg meerdere keren bijna een ongeluk, want ik zag bijna niks door die helm van karton op mijn hoofd.

1968-01-01 SINDALA & FLORIS VAN ROZEMONDT Jos Bergman, Rutger Hauer Copyright Kippa

Later kreeg ik andere helden: Neil Amstrong, de astronaut die de eerste stap op de maan zette. Nog later nog weer anderen.
Ik ben niet zo’n goede fan, ik vereerde mijn helden dan ook niet echt. Ik noem hen voor mezelf eigenlijk ook geen helden maar ‘inspirerende mensen’. Maar ik ben wel van hen onder de indruk. Ik zou best graag sommige dingen willen kunnen en ook willen doen zoals zij dat deden.
Je merkt dat als je ouder wordt, je ook weer van andere dingen onder de indruk raakt. Mijn ‘helden’ veranderden dan ook met mijn opgroeien en ouder worden. Soms ben ik onder de indruk van iets dat ze kunnen, de andere keer weer van iets dat ze durfden en in mijn ogen ook echt belangrijk is, maar waar wel veel moed voor nodig is.

Hebben jullie dat nou ook: ‘helden’ van vroeger. En wie waren dat bij jullie dan? Welke mensen inspireren jullie nu en waarom?

Hebben jullie dat nou ook: ‘helden’ van vroeger. En wie waren dat bij jullie dan? Welke mensen inspireren jullie nu en waarom?

Er zit ook nog een andere kant aan ‘voorbeeldfiguren’. Als je ze zelf kiest dan is het meestal geen probleem, maar stel je voor dat je moeder (of vader) je iemand als voorbeeld noemt! Weet je wel: “dat doet Henkie ook altijd, zou jij ook eens moeten doen!” Ik weet niet of het jullie wel eens overkomen is, maar ik vond dat niet fijn als mijn moeder dat deed. Want misschien vond ik Henkie wel helemaal niet zo aardig of had ik helemaal geen zin om het aan te pakken zoals Henkie het deed.

In het bijbelgedeelte van zondag wordt Abraham als voorbeeld voor ons genoemd. Kun je dat volgen en is Abraham dan ook een voorbeeld voor jou? Waarin dan?
Ik ben wel benieuwd hoe jullie daartegen aankijken. In de Mentimeter bij deze dienst komen deze vragen weer terug: Wie is jouw held? (1) en Is Abraham ook jouw voorbeeld? (2). Wil je die eens invullen?

…is Abraham dan ook een voorbeeld voor jou? Waarin dan?

Je mag hieronder natuurlijk ook uitvoeriger reageren. Of stuur me anders een persoonlijke app? Ik ben benieuwd naar reacties van gemeenteleden alle leeftijden. Wie waren onze helden vroeger? En wie zijn het nu? Is het een heel ander soort helden, of komt het toch wel weer op hetzelfde neer?

Meerdere mensen hebben in de dienst gezegd wie een voorbeeld voor hen is en waarom. Voor velen blijkt Abraham toch ook een geloofsvoorbeeld te zijn. Beluister gepreek of bekijk de dienstT

  1. helden zijn voor mijn mensen die durven… Durven hun dromen achterna te gaan. Durven de dromen die God voor hen…

  2. Helden heb je in soorten en maten. De helden van TV waren voor mij ook Floris, maar ook de man…

  3. Wieb Dijksterhuis – Harderwijk – Predikant met Groningse wortels die sinds 2000 in het midden van land woont, samen met zijn vrouw. Hun vier kinderen wonen inmiddels tussen Ermelo en Hasselt (BE). Van 2006-2016 predikant in NGK de Ontmoeting (Voorthuizen-Barneveld). Vanaf 31 januari 2016 de voorganger van de NGK van Ermelo, een warme gemeente tussen de randmeren en de Veluwse bossen. Zijn roots blijven hoorbaar en merkbaar. Hij kan het niet helpen de wereld 'toch' vanuit een Gronings standpunt te blijven bezien.
Geplaatst in Preken | Getagged , , , | 2 reacties

‘Eigen baas!’? – Genesis 24

Je wil toch de eigen baas over je leven zijn!

Wat je niet voelt voor je werk: niet iedereen wil de baas van een eigen bedrijf zijn. Dat kan ook teveel verantwoordelijkheid op je schouders worden.
Wat je niet hoeft voor je eigen land: niet iedereen wil hier premier of staatshoofd zijn. Dat is nog meer verantwoordelijkheid om te dragen
Maar je wilt wel zoveel mogelijk de baas zijn in je eigen privéleven.
Sommige dingen mogen anderen echt niet voor jou beslissen.

Er zullen hier niet veel voorstanders van uithuwelijken zijn.

Stel je voor:
iemand anders zoekt je partner voor je uit!
En daar moet jij dan een relatie mee aangaan.
Je moet er toch niet aan denken.
“Ja maar, ze komt uit een heel goede familie.”
Nou dat mag dan zo zijn, maar ik moet met haar leven.
“Hij heeft een heel goede baan, een mooi huis en ontzettend goede vooruitzichten”.
Ja maar… dat wil nog niet zeggen dat ik hem leuk vindt.
Er zullen hier niet veel voorstanders van uithuwelijken zijn.

Net zo als je een ander niet je beroep laat uitzoeken.
Of laat beslissen dat jij thuis blijft wonen om voor je ouders te zorgen.
We kunnen niet alles kiezen in ons leven,
maar sommige beslissingen willen we echt zelf nemen.
Dat kunnen anderen gewoon niet voor je doen.
Dat wil je ook niet.

Wij snappen Lale Gühl wel.
Lale is een Nederlandse vrouw met een Turkse achtergrond.
In de cultuur van de van oorsprong Turkse Nederlanders is het heel gewoon dat je ouders je huwelijkspartner uitkiezen en je aan hem uithuwelijken.
Voor je beslissen wat je later gaat doen.
Vinden dat je voor je ouders moet zorgen.
Daar zijn wat hen betreft veel goede redenen voor,
in die cultuur wordt je dat niet gevraagd.
Lale was er heel verontwaardigd over,
toen haar ouders dat voor haar wilden beslissen.
Ja, ze werd er kwaad van.
Ze schreef er een woedend boek over:
‘Ik ga leven.’
Lale is zo kwaad dat het boek haast lelijk van boosheid is.
(Wel goed geschreven!)
Verschenen in 2021 werd het boek een bestseller.
Veel Nederlanders griezelden met haar mee.
Ik ook.
Stel je toch voor, dat je uitgehuwelijkt wordt.
In ons land mogen anderen dat niet voor je beslissen.

Stel je toch voor, dat je uitgehuwelijkt wordt.

In ons land mogen anderen dat niet voor je beslissen.

In opdracht van Abraham zoekt zijn knecht een vrouw voor zijn zoon Isaak uit.
Er is Isaak niets gevraagd.
Maar als Rebecca eenmaal gevonden is, wordt haar ook niets gevraagd.
Ze mag alleen beslissen of ze direct meegaat of nog even thuisblijft

Toch is Isaak blij met haar, trouwt met haar en gaat van haar houden.
Ja, de knecht en hij beschouwen de keuze voor Rebecca als leiding door de Heer.

Is dat iets van vroeger?
Of kunnen wij daar ook nog een voorbeeld aan nemen?
Sommige christenen laten God beslissen over met wie ze gaan trouwen.
Maar ben je dan nog wel eigen baas!?

Dat en meer zondag a.s. in de @NGKErmelo, dan gaan we het over Genesis 24 hebben. Welkom.

Geplaatst in Preken | Getagged | 1 reactie

Lachen (Gen 18/21) – ASI 3

Wanneer heb je voor het laatst voluit en zonder reserve gelachen?
Diep van binnenuit, recht uit het hart!
Weet je het nog?

Abram en Saraï hadden wat God hen gezegd voor waar aangenomen.
Ze waren vertrokken vanuit hun familie en thuisland naar een onbekend land.
Er was hun keer op keer heel veel beloofd. Ook dat wat ze al jaren pijnlijk misten: een eigen kind, een zoon en erfgenaam zelfs. En met dat kind zou het geluk meekomen, een reputatie die voor iedereen om hen heen zou klinken als een klok. Ze zouden uitgroeien tot een eigen volk dat woonde op hun eigen grondgebied. Internationaal befaamd!
Maar vijfentwintig jaar later hadden ze nog geen vierkante meter eigen grond, geen eigen zoon. Ja, een soort donor-zoon via een draagmoeder. Abram, de vader, had de jongen lief, maar Sara bleef moeite met de jongen houden.Voor haar was hij niet de vervulling van Gods belofte. Gehad het plan nog wel zelf bedacht, maar nu kon ze er niet meer in meekomen. Alleen over hun inkomen hadden ze geen zorgen: het ging hen voor de wind.
Ze konden vast nog wel lachen, zo nu en dan, maar een bevrijdende lach was het niet meer.
Die was met de verwachting en met het ouder worden versleten.
De biologie had de belofte immers onmogelijk gemaakt. Die onverbiddelijke grens kan geen mens over.
Als ze terugdachten aan de belofte, bestierf de lach op hun gezicht tot een pijnlijke grimas.

Wat zeggen Gods beloften ons nog als de grenzen van het denkbare bereikt zijn?

Wat zeggen Gods beloften ons nog als de grenzen van het denkbare bereikt zijn?
Als je hoopt tegen beter weten in is?
Als de lach je op het gezicht bestorven is? Omdat je eenvoudig niet begrijpt hoe het ooit nog anders kan worden.

Voor God is niets onmogelijk, lezen we.
Kan dat echt waar zijn?

Soms is je leven niet om te lachen, soms lach je het maar een beetje weg, maar het gebeurt ook dat je diep van binnenuit, zonder reserve kunt lachen. Kijk maar!

Geplaatst in Preken | Getagged , , , , , , | 1 reactie