11. Strategie

Dit is de laatste aflevering in de serie Achtergebleven. Hierin trek ik wat lijnen in de richting van preventief kerk-zijn als het gaat om kerkverlating. Niet om daarmee het spook van de kerkverlating onder controle te kunnen krijgen. Ik geloof niet dat dit kan, kerkverlating is een proces dat we niet onder controle kunnen krijgen, omdat het groter is dan wij kunnen overzien. Wel kan de kerk zijn relevantie verliezen omdat haar manier van zijn niet meer past bij de cultuur waarin we leven. Binnen onze mogelijkheden moeten we onze verantwoordelijkheid wel nemen om tegemoet te komen aan wat gelovigen in deze tijd nodig hebben. Dit is te vergelijken met het aanleggen van een tuin en de voorbereiden van de ‘bedden’ waarin gezaaid gaat worden. We kunnen de planten niet laten groeien, maar wel de omstandigheden zo optimaal mogelijk maken.
Het lijkt me goed dat gelovigen elkaar opzoeken met hun ervaringen rondom kerkverlating. Dat ze elkaar kunnen steunen in hun zorgen over- en zorgen voor- kerkverlaters. Vandaar dat ik in onze gemeente de leden die hier ervaring mee hebben oproep om mee te doen aan een leesgroep om elkaar te steunen in onze zorgen. In de kolom naast deze pagina kan men zich daarvoor opgeven. Mochten mensen buiten onze gemeente hiervoor voelen dan is het -tenminste bij voldoende belangstelling- heel wel denkbaar om ook nog online eens een leesgroep te organiseren.

Afbeelding van Achim Scholty via Pixabay 

…dominees en kerken in Nederland zijn vaak bezig met de zogezegd ‘juiste uitleg’ waar mensen niet altijd wat aan hebben. Met het zoeken naar waarheid in grote maar ook kleine dingen. Met vaststellen wat goed en kwaad is, wat God wil, wat juist is en vooral ook wat niet juist is. Ook daar is op zich niks mis mee en het is zelfs noodzakelijk om te zoeken naar waarheid. Maar de vraag is of mensen daar ook iets aan hebben. Of ze daarmee verder kunnen en het relevant is voor het dagelijkse leven.
(Almatine Leene, 2021)

Bij dit stuk van een lezing, in 2021 uitgesproken door dr. Almatine Leene, bij de opening van het academisch jaar van de Theologische Universiteit in Kampen, bleef ik even hangen. Toen ik daar in de jaren tachtig studeerde, zou daar bij deze uitspraak raar opgekeken zijn: “waarheid waar mensen niets aan hebben?” Ik vermoed dat enkelen deze uitspraak zelfs ongepast gevonden zouden hebben. Voor de goede orde: Leene vindt waarheid wel belangrijk, ze vraagt zich alleen af of mensen binnen en buiten de kerk daar op dit moment het allereerst naar op zoek zijn. In onze tijd is -alleen al via het Internet- zoveel kennis beschikbaar dat wij eerder dan we willen weten hoe het precies zit, willen nagaan wat je eraan hebt en hoe het je kan helpen met de zin van het leven. 

De inhoud van de bijbel is in die vijfentwintig jaar niet veranderd, maar wij zijn wel veranderd. De inhoud alleen is niet genoeg voor ons. Dat is ook wel gebleken: mijn generatie is binnen de vrijgemaakte kerken waarschijnlijk het meest gevormd met de inhoud. Zowel het lager onderwijs als het voortgezet onderwijs kregen we op ‘eigen’ scholen, d.w.z. scholen die expliciet verbonden waren met de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt. Deze scholen hadden een strikt toelatingsbeleid voor zowel docenten als leerlingen. Er waren ook ‘eigen’ verenigingen en zelfs ‘eigen’ vormen van hoger onderwijs. Zij vormden hun leerlingen voornamelijk met kennis; ook met geloofskennis. Het zou me niet verbazen als de generatie die stamt uit de jaren zestig en zeventig, behoort tot één van de best inhoudelijk toegeruste generaties binnen de vrijgemaakte kerken. Mijn leeftijdsgenoten en ik weten nog altijd veel. Toch was al die kennis op zich niet genoeg, velen van ons hebben de kerk inmiddels verlaten. Wat in onze hoofden binnenkwam heeft onze harten lang niet altijd bereikt of heeft -als het daar wel aangekomen was- daar niet kunnen standhouden.

Secularisatiethese en secularisatienarratief

Is dat nu omdat die kennis van het geloof niet kan standhouden tegenover nieuwe wetenschappelijke inzichten, als het ware overboden wordt door nieuwe kennisinhoud? De ontwikkeling van het wetenschappelijk onderzoek maakt duidelijk dat de wereld anders ontstaan is en volgens andere wetmatigheden functioneert dan mensen uit de Bijbel meenden te weten. Volgens rationele standaarden is de Bijbel achterhaald (Taylor, 2012, p. 44). Moderniteit leidt automatisch tot secularisatie, zeggen sommigen. Dit noemt men de secularisatiethese (p. 66). De historie heeft deze hypothese inmiddels achterhaald. We leven in wat we nu noemen het postmoderne tijdperk en religie speelt nog altijd een grote rol. Dat is anders dan men had verwacht.

Mensen kiezen niet langer voor de schat in de akker (Mat. 13: 44), maar voor de akker om een metafoor van onze Heer te gebruiken.

De secularisatiethese blijkt in de praktijk niet op te gaan. Volgens Prof. Herman Paul is er niet in de eerste plaats sprake van de secularisatie van ideeën, maar gaat daaraan vooraf de secularisatie van het hart (2017). D.w.z. dat mensen de vervulling van hun verlangens gaan verwachten in het hier en nu, de tijd van het saeculum (vandaar ‘secularisatie’), de tijd tussen de val en de voleinding. Alles wat het leven ons hier en nu te bieden heeft komt in de plaats van de beloften van God. Die verandering van verlangens is niet nieuw, maar in onze westerse samenleving wel actueel omdat we in vrijheid leven en veel materiële mogelijkheden hebben om die verlangens te vervullen. Mensen kiezen niet langer voor de schat in de akker (Mat. 13: 44), maar voor de akker om een metafoor van onze Heer te gebruiken.

Volgens Paul is secularisatie geen onontkoombaar proces, maar eerder een ‘verhaal’ waarmee mensen de veranderingen in de verhouding tussen kerk en samenleving proberen te duiden. Er is sprake van grote veranderingen. En we proberen die veranderingen te vatten met ons secularisatieverhaal. Maar in feite hebben we helemaal geen controle en zijn we afhankelijk van God, zoals we dat altijd al waren. En dat betekent dat de toekomst niet vastligt -ook niet voor ons denken, maar voor ons nog altijd open ligt. We weten gewoon niet hoe de toekomst zich precies gaat ontwikkelen, dat onttrekt zich niet alleen aan onze waarneming, maar valt ook buiten onze controle. Aan de ene kant is de secularisatie geen onontkoombaar proces dat leidt naar de ondergang van de kerk en het geloof. En aan de andere kant hebben onze pogingen om te redden wat er te redden valt niet veel resultaat.
Als we eerlijk zijn weten we niet hoe de toekomst zal verlopen en zouden onze bezorgde secularisatieverhalen wel eens een averechts effect kunnen hebben. Immers als we ons daaraan vasthouden wat verwachten we dan nog van de toekomst? Zouden we bijvoorbeeld de kerkelijke krimp ook kunnen zien als onderdeel van een groter verhaal, waarin God ons vertrouwen op de proef stelt?

Prof. Paul stelt dat we niet moeten leven uit angst maar uit hoop. Ook dat er in ons leven niet alleen sprake van de gedachte waarheid, maar zeker ook van de geleefde waarheid zou moeten zijn. Van een zich openstellen voor de Heer en onze toekomst aan Hem uit handen geven. Dat betekent dat we als gemeente veel meer ruimte zouden moeten geven aan het gezamenlijke geloven waarin we elkaar helpen in de praktijk gelovige, d.w.z. vertrouwende, christenen te zijn. Ons samen oefenen in Godsvertrouwen en zo bevrijd te worden uit het theater van de angst voor secularisatie.

Dat betekent dat de kerk verandert van een theater in een oefenplaats, waar ieder getraind wordt in een leven in geloofsvertrouwen.

Het is in ieder geval in de laatste decennia -dat is de periode die ik kan overzien- binnen onze traditie veel gegaan om de waarheid en om de ontmoetingen in de wekelijkse erediensten. Maar die ontmoetingen kregen lang niet altijd een vervolg in een structureler omgaan met elkaar waarin we kans hadden elkaar te vormen en te steunen in de praktijk van ons geloofsleven. In dat geval zou ons kerkgebouw geen plek van kortdurende opvang op de zondag zijn, maar een ruimte waar we omgaan met elkaar en tijd maken om te werken aan karaktervorming van de nieuwe generaties en aan de training en ontwikkeling van ons eigen karakter om zo staande te kunnen blijven in de strijd tussen tegenstrijdige verlangens. Dat betekent dat de kerk verandert van een theater in een oefenplaats, waar ieder getraind wordt in een leven in geloofsvertrouwen.

Met elkaar deelnemen in de geloofspraktijk is de beste manier om het geloof door te geven en anderen te vormen in een leven van geloof in- en afhankelijk zijn van- Gods beloften midden tussen alle andere beloften die men ons doet in onze samenleving, die ons nog nooit definitief vervulling van ons verlangen hebben kunnen geven.

Dat betekent bijvoorbeeld dat het kerkgebouw als ‘plaats van samenkomsten’ veel meer ‘het huis van de gemeente’ zou moeten worden. De plek waar je elkaar op alle dagen in de week kunt ontmoeten. Een plaats waar je kunt studeren, waar gespreksplekken zijn, waar een goede keuken is, waar gekookt kan worden voor mensen die in de kerk blijven eten. De kerkzaal heeft niet langer alleen een statische theateropstelling, maar is multifunctioneel en kan gemakkelijk omgebouwd worden naar één van de andere functies. Kortom, deze tijd vraagt om een andere vorm van kerk-zijn, een andere wijze van met elkaar omgaan, een andere geloofsopvoeding, een ander soort geloven (in de praktijk) en dus ook om een kerkgebouw dat anders ingezet kan worden.

Dit is geen garantie voor een succesvolle geloofsopvoeding. Het geloof van onze kinderen hebben we eenvoudig niet in de hand. Dat is iets tussen God en onze kinderen. Geloofsopvoeding vraagt daarom ook allereerst om ons gebed, om een intensief contact met onze God. Alleen zo kan Hij ons gebruiken en alleen zo weten wij wat we moeten doen. Het geloof doorgeven aan je kinderen doe je in afhankelijkheid van God.

Maar wij hebben ook een eigen verantwoordelijkheid en dat is de omstandigheden waarin deze geloofsopvoeding plaats kan hebben zo optimaal mogelijk te maken. Onze tijd vraagt om een intensiever omgaan met ons geloof en dus ook met elkaar. Immers sinds het geloof uit onze samenleving verdween moet het in ons midden juist duidelijker aanwezig zijn.

Nabrander

Vergeleken met vijftig jaar geleden hebben christenen een heel andere plaats in onze samenleving gekregen. Je zou zelfs kunnen stellen: ‘in deze wereld gekregen’. Dat is in alle ons bekende betekenissen waar. Onze plek is nu aan de rand, het openbare leven speelt zich meestal ergens anders af. Tegelijkertijd maken we waarschijnlijk meer dan eerder deel uit van de online, globale netwerksamenleving en zijn we met al onze vezels verbonden met het leven in het hier en nu.

Kerkelijk buiten het hart van de samenleving, maar persoonlijk volop verbonden met het gewone leven, hebben christenen elkaar nog meer nodig dan eerder.

Kerkelijk buiten het hart van de samenleving, maar persoonlijk volop verbonden met het gewone leven, hebben christenen elkaar nog meer nodig dan eerder. Het zou een zegen zijn als we in deze nieuwe realiteit meer met elkaar op zouden kunnen trekken in ons geloven. Dat we in ons dagelijkse leven daarvoor de ruimte- en in onszelf daarvoor de motivatie zouden kunnen vinden. En dat niet alleen als het gaat om het omgaan met het gemis van onze dierbaren.
Maar dat vraagt weer om een ander schrijven, hoewel daar al heel veel over geschreven is. We beseffen nu meer dat we elkaar als geestverwanten nodig hebben in het spanningsveld van ons leven. Ik hoop dat dit besef ons ergens toe zal brengen.

Schrijvend en nadenkend kwamen veel namen en gezichten opnieuw voorbij in mijn herinnering. Dierbare familie, vrienden, oud-gemeenteleden en kennissen, met wie ik me verbonden blijf voelen, maar kerkelijk niet langer verbonden ben. Ook vanwege hen heb ik dit geschreven, als achterblijver. En tegen hen zou ik willen zeggen: “Ik mis jullie! Weet dat ik nog altijd voor jullie bid.”

Geplaatst in Achtergebleven | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

God is Goed! (Gen. 44/45)

Het slot van de films van ‘The Lord of the Rings’ is een happy end. Alles komt bijna helemaal goed. Vrienden die dachten dat ze elkaar nooit weer terug zouden zien, ontmoeten elkaar in een veilige, warme en lichte omgeving. Sommige zijn zelfs uit de dood teruggekeerd. Wie had dat gedacht. Het contrast met de angst, het lijden en de ellende van de periode nog maar kort geleden is enorm. Veel films met een happy end zijn slechte films, maar dat komt niet door het gelukkige einde maar door de film, denk ik. Een goede film met een gelukkig einde kan me ongelooflijk ontroeren. Dat raakt aan iets dat heel diep zit bij me.
Veel meer mensen hebben dat, vermoed ik, dat de tranen in je ogen branden als je zoiets ziet (al geven we dat niet altijd toe!).

Als je deze hoofdstukken van het verhaal van Jozef rustig leest (Gen. 44 & 45), raken ze je diep. De spanning en angst stijgt tot een griezelige hoogte, maar komt tot rust in een ongelooflijk mooi slot. Eén van de mooiste in de hele bijbel. Het is een happy end zoals je dat in de beste films kunt zien. De Geest van God maakt ons getuige van de geschiedenis die God gaat met zijn mensen in de oergeschiedenis van het volk Israël. Waar raakt deze geschiedenis aan de onze?

Dit was voorlopig de laatste preek in de serie over Jozef. De preek is nog eens te lezen en te beluisteren.

Geplaatst in Preken | Getagged , , , , , , | Een reactie plaatsen

10. Schuldigen?

In onze huidige samenleving is er veel aandacht voor slachtoffers. De bittere aanleiding daarvan is dat er veel slachtoffers van anderen blijken te zijn, maar dat die lang niet altijd de aandacht hebben gekregen die je zou mogen verwachten. Maar zoals dat wel vaker gaat slaat de slinger soms te ver door. Ziet een groep mensen zich eenmaal als slachtoffer, dan is er soms geen genuanceerd gesprek meer mogelijk. Voor een slachtoffer is er maar een antwoord passend vindt men: medeleven. Het zou zomaar kunnen zijn dat onze samenleving verdeeld raakt in daders en slachtoffers. Dat is m.i. een te scherp onderscheid, er is immers ook lijden waarbij dit onderscheid tussen daders en slachtoffers eigenlijk niet valt te maken. In het geval van kerkverlating is niet zo gemakkelijk te bepalen wie er nu slachtoffer is: diegene die weg ging of diegene die achterbleef. Het lijkt mij dat beide groepen het slachtoffer zijn van een dramatische scheiding en dat ook beide groepen aandacht verdienen.

Geen idee wat de schilder er destijds mee bedoeld heeft, maar dit schilderij raakt me in wat het me lijkt voor te stellen. Je ziet een grote, hoge, ongenaakbare burcht op een steil uit het water oprijzend rotseiland. Vanuit het standpunt van de kijker ziet het enorme kasteel er dreigend, onneembaar en vooral ook onbereikbaar uit. De golven slaan tegen de rotsen aan de voet van het eiland. De monotone kleur van de burcht wordt alleen onderbroken door twee ronde, kleurige ramen die aan roosvensters in een kathedraal doen denken. Op de voorgrond staat, gescheiden door een brede strook water van het kasteel, een kleine toren op een landtong. De toren en de burcht horen bij elkaar: ze hebben dezelfde bouwstijl, zijn van hetzelfde materiaal gemaakt en ook de kleinere toren heeft twee roosvensters van hetzelfde type. De helderblauwe lucht en het mooie blauwe water ademen iets van een Middellandse Zee-vakantie, maar in dat heldere licht is er hier geen liefelijk plaatje te zien maar een tragisch tafereel dat gestreden strijd, ongenaakbaarheid, verwijdering (het lijkt alsof de kleine toren van de grote burcht gescheiden is geraakt) en de onmogelijkheid de kloof te overbruggen, ademt.

Strijd, ongenaakbaarheid, verwijdering, onmacht en toch verwantschap dat zijn voor mij woorden die de gevoelens weergeven als er binnen een gezin één van de kinderen vertrekt uit de kerk omdat zij het geloof niet meer met hen deelt. Dat is tragisch voor iedereen.

“Je zou je schuldig voelen als je de kerk uit zou gaan. Vervelend dat je je alleen voelt, maar ligt dat aan de kerkverlaters?, was een reactie die ik zag verschijnen op een artikel dat ik schreef over het verdriet van de achterblijvers.
Dat gevoel zou wel kunnen ontstaan en ontstaat er soms ook wel. “Wat doe je ons aan?’, is dan de vraag. Diegene die uit de kerk vertrekt is het zwarte schaap dat de anderen in het verdriet stort. In de periode van een nogal burgerlijke, christelijke cultuur was dat misschien wel het eerste gevoel dat bij de achterblijvers opkwam. Diegene die vertrekt breekt met de fatsoensnormen van ‘hoe het hoort’. De daders gaan weg en de slachtoffers blijven achter. Niet alleen dat je vertrekt uit de kerk is dan erg, maar je vertrekt ook nog eens met het gevoel dat jij de schuldige bent die de anderen in het verdriet stort.

Op de website kerkkater.nl kun je van een onderzoek naar het zgn. ‘Posttraumatisch Kerksyndroom’ lezen.

Het zal ongetwijfeld wel zo gegaan zijn: er lopen veel kerkverlaters met bittere herinneringen rond. Sommigen dragen traumatische herinneringen met zich mee aan de manier waarop gemeenteleden en familie op hun vertrek reageerden of juist helemaal niet reageerden. Op de website kerkkater.nl kun je van een onderzoek naar het zgn. ‘Posttraumatisch Kerksyndroom’ lezen. De term is van de schrijfster Reba Rily. Ze smeedde deze in haar gelijknamige boek. “Door kerkgerelateerde omstandigheden, worstelde zij met God, geloof, christenen in het bijzonder….” (Kerkkater).
Via een onderzoek probeert men boven tafel te krijgen of je inderdaad kunt spreken van effecten die veel kerkverlaters gemeenschappelijk ervaren (1), of kerkleden en kerkleiders ook nazorg hebben verleend, en als dat niet zo is, of dit een extra reden voor kerkverlating is (2). Mocht daar inderdaad sprake van zijn dan hoopt men het kerkelijk leiderschap daarvan bewust te maken en aanbevelingen te doen hoe het op dit gebied tot een beter herderschap kan komen (3). Aandacht voor kerkverlaters is op zijn plaats!

Tegenwoordig is er voor kerkverlaters wel aandacht uit de eigen kring van kerkverlaters. Als kerkverlating samengaat met het verlies van geloof of er sowieso geen sprake is van geloof, is er in Amsterdam meerdere keren per jaar een ‘Dienst zonder God’. “Vier keer per jaar, met de wisseling van de seizoenen, organiseert de Rode Hoed in samenwerking met zangeres en theatermaakster Ricky Koole een jonge, eigenzinnige dienst. In de drukte van de stad sta je anderhalf uur stil bij wat je belangrijk vindt.”  Zo kondigen de organisatoren de dienst aan.
Sinds kort is het als kerkverlater ook mogelijk je verhaal achter te laten op de pagina kerkverlating.nl die weer een onderdeel is van de site: Weet wat je gelooft. 

Toch is kerkverlating niet zelden een tragisch gebeuren waarin zowel de persoon die de kerk achter zich laat als de dierbaren die daar achterblijven verwikkeld zijn geraakt in strijd, gebukt gaan onder verdriet, verwijdering ervaren en zich onmachtig voelen om daar iets aan te veranderen.
Afgezien van zo nu en dan een themanummer in een kerkelijk magazine, een themadag voor de verwanten en een kerkelijke studiedag… is er vanuit de kring van de kerken maar weinig aandacht voor de achterblijvers. Zij hebben dat wel nodig, alleen al zodat zij ondanks al hun ervaringen in contact kunnen blijven met de kerkverlater. Dat is de bedoeling van dit schrijven. Laat goed duidelijk zijn dat aandacht voor het verdriet van de achterblijvers, de vertrekkers nog niet tot schuldige daders maakt. Dat is althans niet de strekking van dit betoog.

Vervreemding komt in de plaats van het vanzelfsprekende vertrouwen van vroeger.

Opvoeders zijn vele jaren met hun hele persoon verbonden aan hun kinderen. Zij hebben hun kinderen niet voor altijd bij zich. In de periode van de opvoeding moeten ze de innige banden met hun kinderen ook weer losser leren te maken. Eenvoudig omdat het doel van opvoeden is dat kinderen -los van hun ouders- op hun eigen benen komen te staan. Die verandering van rol is vaak lastig voor ouders, maar gelukkig komt er uiteindelijk een kostbaar, volwassen contact voor terug.
Kerkverlating kan van deze groei naar zelfstandigheid een pijnlijke verwijdering maken. Vervreemding komt in de plaats van het vanzelfsprekende vertrouwen van vroeger. De afstand lijkt soms onoverbrugbaar te zijn door het wederzijdse onbegrip. Het is alsof een van je eigen ledematen van je losgesneden is: je ervaart pijn die pas minder wordt als beiden weer gehecht zijn en er sprake is van herstel van contact. Heel vaak zal dat niet meer zoals vroeger zijn: er is iets verloren gegaan. Maar gelukkig is het er dan nog wel. Niet alleen in ouder-kind relaties is dit aan de orde; ook leden van het hetzelfde gezin, vrienden e.d. zullen bij kerkverlating verlies ervaren.

Verlaters én achterblijvers verdienen in dit proces beiden de steun van de kerkelijke gemeenschap. Eigenlijk zou je verwachten dat dit vanzelfsprekend is: de gemeenschap verliest immers ook één van de leden van het lichaam. Niet zo nauw verwant als ouders en kinderen maar wel zo dichtbij dat ze de pijn kunt voelen en het eigenlijk natuurlijk is om actief te worden bij het herstellen en instandhouden van het contact.

Dit digitale netwerk heeft grote invloed op de vorming van de jongere generaties.

We kunnen elkaar in de nieuwe werkelijkheid van het seculiere Nederland niet gewoon maar loslaten. Onbedoeld is het resultaat daarvan dat zij dan echt uit ons midden verdwijnen en helemaal losraken. We staan voor de opgave ons van kerkverlating én kerkverlaters bewust te worden. Hun personen en namen voor ons te (blijven) zien. Om dan in deze nieuwe verhouding onze verantwoordelijkheid te kunnen nemen. 

We leven niet zozeer in een ’tijdperk van veranderingen maar in een verandering van tijdperk’ (Meijer & Wierenga 2020). Dat was eerder zo bij de overgang van de middeleeuwen naar de vroegmoderne tijd. Toen was de uitvinding van de boekdrukkunst een aanjager van grote veranderingen, nu zijn dat de computertechnologie, het internet en de mobiele telefoon. Dit digitale netwerk heeft grote invloed op de vorming van de jongere generaties. In dat enorme netwerk van contacten raak je elkaar zomaar kwijt. Daar zullen we ons als kerkgemeenschappen op in moeten stellen.

Geplaatst in Achtergebleven | Getagged , , , | 4 reacties

Wijze Geest (Gen. 41)

Vroeger droomde ik dat ik iets bijzonders zou kunnen. Toen vond ik dat zoiets als getalenteerd voetballer, straaljagerpiloot of astronaut. Dat sprak me toen tot de verbeelding. Dat was een mooie droom, immers als jij iets bijzonders kon dan zouden de anderen jou ook wel bijzonder gaan vinden. Dat was toen een fijn gevoel, dat zou immers betekenen dat je een plek op de wereld veroverd had. Dat je er mag zijn. Voor een jongere kan de wereld er immers heel groot uitzien: er zijn zo ontzettend veel mensen -alleen al in je eigen land- wat kun jij daar als nieuwkomer nu nog aan toevoegen? Om tussen al die mensen een eigen plek te krijgen, moet je wel heel bijzonder zijn. Als ik de geluiden die ik nu om me heen hoor goed begrijp, zou dat gevoel onder de jongeren van nu nog wel eens veel sterker kunnen zijn.

Trouwens vroeger was ik wel heel optimistisch: ik zou vast iets bijzonders bereiken. Het mooie van de geschiedenis van Jozef is dat je daardoor begrijpt iedereen sowieso heel bijzonder is. Hoe dat zit, leg ik later uit.

Jozef maakt als jongere al kennis met veel onrecht. Zijn broers proberen hem te vermoorden, maar omdat ze het daar niet over eens kunnen worden wordt hij als slaaf verkocht aan een reisgezelschap dat wel handel in hem ziet. Wat een onrecht, je eigen broers! Maar als hij eerlijk was had hij het er ook wel naar gemaakt, hij klikte over zijn broers bij vader, hij liep als op een na jongste (leeftijd was toen heel belangrijk!) te shinen met zijn mooie van zijn vader gekregen mantel. En vond het maar wat mooi dat hij in zijn dromen de baas van iedereen was. Dat was ook onrecht. Eenmaal slaaf krijgt hij toch een bijzondere positie in het huishouden van zijn meester. Hij is een bekwame bestuurder. Maar dan komt hij terecht in een metoo-affaire met zijn meesteres. Terwijl het haar initiatief was, belandt hij in de gevangenis op haar valse beschuldiging dat hij háár aangerand zou hebben. In de gevangenis vallen zijn kwaliteiten weer op. Hij helpt twee hoge hofbeambten met hun verontrustende dromen, maar die vergeten hem snel weer. Dertien jaar lang is hij slaaf, de laatste jaren daarvan in een Egyptische gevangenis, niet meer dan een gat in de grond.

Maar eenmaal aangekomen bij de tekst van deze zondag is er eindelijk gerechtigheid: de slaaf Jozef wordt de grootvizier Safenat Paneach (zoiets als ‘God heeft gezegd dat hij zal leven’). Jozef stond in één keer aan de top van zijn carrière. En dat door zijn eigen kwaliteiten. Hij is een absolutie zegen voor zijn nieuwe vaderland. Hij weet de gevolgen van een schrijnenende hongersnood om te buigen in een voordeel voor iedereen. Hij is in zijn tijd een absolute held en een celebrity die door iedereen aanbeden wordt. Als bestuurder van het land is hij het beste wat Egypte ooit overkomen is. Het is een soort American story in Egypte: ‘van slaaf tot vice-Farao’. Sowieso een prachtig verhaal!

Als je erover nadenkt hoe dat kan, realiseer je je dat zoiets heel bijzonder is. Juist omdat dit zo’n uitzondering is op hoe het meestal gaat. Of toch niet? Mijn stelling is dat we in Jozefs geschiedenis ook een belofte voor onze toekomst kunnen zien. Zondag verder…, wees welkom.

Geplaatst in Preken | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Preekpoolen (2)

Het eerste uur preekpoolen zit erop. Het was een fijne en waardevolle ontmoeting rondom de geschiedenis van Jozefs aanstelling als Vice-Farao. De volgende week ontmoeten we elkaar op dinsdagavond 20.9 tussen 19:30 en 20.30 uur via Zoom (ik stuur je een link). Dan gaat het over de broers en Jozef dier elkaar opnieuw in heel andere omstandigheden ontmoeten. Er kunnen nog mensen bij.
Ik begrijp dat het online aanmelden niet voor iedereen werkt. Hieronder een Whatsapp knop naar mijn Whatsapp. Zet ook even de datum erbij. Via de mail aanmelden kan ook, zie het formulier onder de WhatsApp-knop

Hieronder het rooster nog eens
 

DatumTekstOnderwerpDeelnemersBijzonderheden
20.9 (di)Gen. 44 18 – 45 8Jozef en zijn broers(5) 
     
3.10 (ma)Mar. 10 17-27Een rijke man komt bij Jezus(5) 
11.10 (di)Mar. 10 46-52Bartimeüs kan weer zien(5)Jongerendienst – Spring

Geplaatst in Preken | Getagged , , | Een reactie plaatsen

9. Steun!

Kees Kraayenoord mist de verbolgenheid over het vertrek van zoveel jongeren uit de kerkelijke gemeenten. Volgens mij ziet hij dat niet goed, er is veel verdriet over het vertrek van iedereen die de kerk verlaat. Maar gek genoeg lijken kerkelijke gemeenten het vertrek van hun leden nogal gelaten te ondergaan. Daar zit een element van waarheid in: de ontkerkelijking is niet te stoppen door voor een andere vorm van kerk-zijn te kiezen. Dat zal sommigen helpen, maar de meeste kerkverlaters gaan niet naar Mozaïek of welke moderne megakerk dan ook. Het zijn juist de actieve kerkleden die daarheen verhuizen. Het probleem van kerkverlating zit dieper dan ontevredenheid over de vormen.
Toch lijkt het wel alsof we de leden die onze kerken verlaten zo snel mogelijk willen vergeten. Je krijgt soms de indruk dat een nette ledenadministratie ons meer bezighoudt dan de leden waarom het gaat. Dat kan onmogelijk de bedoeling zijn. We kunnen veel meer doen om zowel de achterblijvers als de kerkverlaters te steunen. In deze aflevering een aantal ideeën over wat er beter kan.

Photo by Neil Thomas on Unsplash

Het draait om jonge mensen, vertelt Jozef: “Ze zijn allemaal van de kerk los, maar hier wel lid geweest. Als kerk is er geen contact meer. Dus heb ik samen met een maat van mij bedacht wat wij kunnen doen. Wij kennen ze van vroeger. En wij willen die band onderhouden. Dus vragen we ze individueel elk half jaar te komen eten en eens bij te praten. En we appen af en toe of bellen, als iemand jarig is of geslaagd. Ze willen gezien worden, niet als groep, maar als zichzelf. Dat is zo belangrijk als je opgroeit, dat je gezien bent en geliefd.”
We vragen of ze jeugdouderling zijn of dit als werkgroepje doen. “Nee”, zegt Jozef, “absoluut niet! Misschien dat wij wel een draadje zijn naar hun vroegere kerk, maar we zijn geen vertegenwoordigers van die kerk. Juist niet! Want zodra ze denken dat we het doen omdat het moet, dan is het contact voorbij. Wij doen het omdat we het willen. En we stoppen ook niet als onze termijn voorbij is. Wat we willen is met elk van hen optrekken. En iets laten zien van trouw en liefde. Hoe wij doen, zo doet God ook.” Hij voegt eraan toe: “Dat klinkt veel te groot. We houden van die gasten. Daarom doen we dit” (Meijer & Wierenga, 2020)
.

Zomaar een voorbeeld van hoe je contact kunt houden met de mensen die niet meer in de kerk komen, maar nog wel contacten in de gemeente hebben. De boodschap aan hen is op zijn minst: “Wij vergeten je niet” en: “We vinden je waardevol” Via mensen uit de gemeente wordt iets van Gods trouw en liefde zichtbaar. In het boek Herkerken, waar ik dit voorbeeld vond, staan er nog wel meer.

Ze kunnen wel zeggen dat het hen gewoon om jou gaat, maar je vermoed een dubbele agenda. En daar hebben ze toch gelijk aan?

Er vallen een aantal dingen op. Als eerste dat men hier uitgaat van een relatie die er nog is. Dat bestaande contact is een natuurlijk contact dat je weer kunt oppakken. Je ziet veel vaker dat een speciale werkgroep van gemeenteleden de contacten met de randleden van de gemeente wil oppakken. Moeilijk, want die moeten dat maar net willen! Je zult maar een kerkverlater zijn, waarom zou jij het contact nog aangaan met mensen uit deze groep? Je bent er net vertrokken en je kent ze niet eens goed. Ze kunnen wel zeggen dat het hen gewoon om jou gaat, maar je vermoed een dubbele agenda. En daar hebben ze toch gelijk aan? Als we eerlijk zijn moeten we dat toegeven.

En ook: zie erop toe dat de relatie niet belast wordt met lastige en stekelige gesprekken over geloof en kerk. Wil het een echte relatie zijn, dan hoort dat een respectvolle relatie te zijn. Kerkverlaters hebben al een keuze gemaakt, die moet je respecteren. Als achterblijver kun je vinden dat zij deze keuze op verkeerde gronden hebben gemaakt, maar jij mag niet toch een andere keuze proberen te forceren met jouw argumenten. Zo hoort dat gewoon niet! Ook niet binnen de bijbelse wereld! Het gaat om de relatie, misschien geeft God jullie beiden ruimte om binnen die relatie nog eens over geloven in gesprek te komen. Maar dan moet Hij er de opening voor geven. Zelfs Paulus had een geopende deur nodig om met het evangelie tot anderen toegang te kunnen krijgen (Kol. 4:3), hij vraagt om gebed dat het zover mag komen. Als geloven iets tussen God en mensen is, moet je Hem ook voorop laten gaan (en erop vertrouwen dat Hij weet wat het beste is). Pas er voor op dat je in een felle discussie terecht komt, die met scherpe argumenten wordt gevoerd. Stemverheffing past het evangelie niet (Peterson, 1994, p. 34 en 40) en je bereikt waarschijnlijk het tegendeel van wat je graag zou willen: de afstand wordt op deze manier juist groter.

Stemverheffing past het evangelie niet

Als hoogleraar secularisatiestudies gaat Herman Paul uit van de gedachte dat secularisatie niet zozeer een zaak van het hoofd maar van het hart is. Het hart is in zijn overtuiging het verlangen dat aan denken, voelen en handelen vooraf gaat (Paul, 2017). Dat zou betekenen dat de verhitte gesprekken die wij soms met elkaar voeren over redenen voor geloof en ongeloof niet eens gaan over de diepste oorzaken daarvan. Nog een reden om een discussie over dit soort zaken te vermijden.

Als het om een verstoorde relatie met God gaat, omdat het vertrouwen verloren ging en het verlangen naar God zijn glans verloor, is het misschien vóór alles belangrijk om zelf als vertegenwoordiger van God betrouwbaar, oprecht en liefdevol over te willen komen. Je laat op deze manier iets zien van de karaktertrekken van God. Misschien is daar wel het meest behoefte aan.
Je kunt wel zeggen dat Gods hart uitgaat naar zijn kinderen die de kerk verlaten hebben, de ervaring leert me dat zij dat niet zo nodig van je moeten horen maar beter aan je kunnen merken.

Vaak is er een periode van zorgen, verdriet en soms zelfs van verhitte gesprekken voorafgegaan aan wat op den duur leidt tot het vertrek van iemand uit de kerk. Dat heeft de keuze, die toch al moeilijk was -ook voor een kerkverlater!- nog eens extra sterk negatief geladen. Natuurlijk is het zo dat die emoties juist voortkomen uit het enorme belang dat de achterblijvers aan het geloof in God en de relatie met een christelijke kerk hechten. En -aan de andere kant- soms ook uit de onmacht die een kerkverlater ervaart om dat ook zo te kunnen beleven. Door schade en schande wijs geworden denk ik toch niet dat deze verklaring van de sterke emoties de negatieve indruk die ze achterlaten ongedaan kan maken.

Emoties zullen er zijn als het om geloof en ongeloof gaat, het zou gek zijn als die er niet mee verbonden waren. Het is, denk ik, wel wezenlijk dat die emoties niet leidend worden in onze manier van spreken en doen.

Als je als achterblijver ongetroost blijft, hoe kom je dan ooit toe aan het in deze moeilijke omstandigheden contact houden?

Om dat te kunnen opbrengen heb je je medegelovigen nodig. Ergens moet je je emoties wel kunnen tonen, je zorgen kunnen uiten en je verdriet kunnen laten zien. Ergens moet er voor je gebeden worden, moet je raad kunnen krijgen en opnieuw bemoedigd worden. Dat lijkt misschien vanzelfsprekend, maar ik heb die steun zelf niet zo ervaren en ook niet zo vaak om me heen gezien in de gemeenten waarvan ik lid ben geweest. Een achterblijver is in mijn beleving vaak alleen in zijn zorgen, verdriet, gedachten en gevoelens. Waarom zijn we er niet meer voor elkaar als het om zulke zaken gaat? Zijn de achterblijvers bang om zich te geven, omdat de aandacht vaak zo tegenvalt? Of zijn de anderen terughoudend om echt commitment te tonen? Want zoiets is een zaak van mee de machteloosheid kunnen verdragen, van te kunnen zwijgen, van veel geduld en aanhoudend bidden. Het is nodig dat iemand die dierbaren heeft zien vertrekken de troost en bemoediging niet in een kort gesprek moet vinden of in een goed bedoelde klap op de schouder, maar dat die gedurende een langere periode ontvangen kan worden. Troosten en bemoedigen is een zaak van lange adem, dat vergeten we wel eens.
Als je als achterblijver ongetroost blijft, hoe kom je dan ooit toe aan het in deze moeilijke omstandigheden contact met de vertrekker houden? Waar haal je de wijsheid, waar haal je de moed vandaan? En ook: wie bidt er voor je als je zelf geen woorden meer hebt? Ik zou het een goed idee vinden om met een groep lotgenoten regelmatig met de thema’s, die in deze hoofdstukken aan de orde komen, in gesprek te gaan. Om als achterblijver misschien zelfs onder begeleiding een traject te kunnen doorlopen.

Gebed

Toen Herodes, in de begintijd van de christelijke gemeente in Jeruzalem, merkte dat hij populair werd bij de Joodse gemeenschap in Jeruzalem toen hij hun volksgenoot en leider Jakobus doodde, nam hij Petrus gevangen met dezelfde bedoeling. Die kwam onder zware bewaking in de gevangenis te zitten.
In zijn gemeente reageerde men verschrikt, zouden ze ook Petrus verliezen? Als reactie kwam een groep uit de gemeente bij elkaar om te bidden (Han. 12:12). Natuurlijk, begrijpen ook wij, één van hen was in groot gevaar en dan doe je zoiets. Ik heb zoiets ook wel eens ervaren toen een klein meisje uit de gemeente van de ene dag op de andere doodziek in het ziekenhuis kwam te liggen. Meerdere avonden kwamen we toen samen om de Heer om haar leven te smeken.

Gek genoeg heb ik nog nooit zo’n reactie gezien als iemand de kerk verlaat.

Gek genoeg heb ik nog nooit zo’n reactie gezien als iemand de kerk verlaat. Er wordt -als het goed is- in de dienst waarin het vertrek wordt afgekondigd, nog wel door de voorganger gebeden. Maar verder ondernemen we als gemeente niets meer. Dat is wonderlijk als je bedenkt dat er ook in zo’n geval ernstige zorgen om iemands toekomst zijn. Juist wanneer bidden heel nodig is, doen wij dat niet. We kennen dat niet als praktijk.

Zo intensief als dat in het geval van Petrus’ gevangenschap gebeurde, kun je het niet op langere termijn volhouden, maar een regelmatig gebed waarin de namen van de vertrekkers worden genoemd is toch een heel goede reactie van een gemeente die om haar leden geeft. Zo geeft ze inhoud aan de gezamenlijke verantwoordelijkheid. Zeker als je bedenkt dat het goed mogelijk is dat de persoon die de kerk verlaat zelf niet meer bidt. Laten wij het in dat geval tot onze taak rekenen, dan is er in ieder geval iemand die voor hen bidt .
Bovendien is dat ook de gelegenheid om ook de gemeente als geheel aan de Heer op te dragen. Immers zo scherp is de grens niet tussen kerkleden en kerkverlaters. Er zitten ongetwijfeld mensen in de kerk die nog wel aanwezig zijn maar die inwendig de kerk al verlaten hebben (Paul, 2017).

Namen

Op de langere termijn maken we het ons ook niet gemakkelijk om de aandacht voor kerkverlaters niet te verliezen. Na de afkondiging van het vertrek van een kerkverlater, wordt diens naam vrij kort daarna uit de kerkelijke administratie geschrapt. In het nieuwe gemeenteboekje keert de persoon ook niet meer terug in de ledenlijst. Het zal dan geen jaren duren voordat iemand helemaal vergeten is door vrijwel iedereen in de gemeente, behalve dan door de naaste familie en de vrienden.

We zouden hun namen in beeld moeten houden, dan kunnen we ze blijven kennen en dan kunnen ze ook in onze harten terecht komen en in onze gebeden genoemd worden. We geloven dat God hun namen niet vergeet, alle reden om dat zelf ook niet doen. We zullen een passende manier moeten vinden waarop we de namen van de kerkverlaters in de gemeenschap levend houden. Met behoud van privacy moet dit toch mogelijk zijn!

Het is goed dat wij de namen van kerkverlaters en van de achterblijvers helder voor ogen houden. Zij kunnen ons gebeden en onze steun goed gebruiken.

Geplaatst in Achtergebleven | Getagged , | Een reactie plaatsen

8. Straf

Als iemand die ons dierbaar is de kerk verlaat, maken we ons niet zelden zorgen over de toekomst. Niet alleen wat het direct voor effect op onze relatie met hen zal hebben maar nog meer of er nog toekomst is voor die relatie. Is er een kans wij hen in de verre toekomst nooit meer terug zullen zien? En…, tast dat dan niet ons verlangen naar die toekomst aan? Willen we wel zonder hen verder leven?

Onder de indruk had ik lang naar haar geluisterd: wat een geloof! In dit kennismakingsbezoek kreeg ik meer van haar mee dan zij van mij. Zij, een al wat oudere weduwe, had dan ook heel wat meegemaakt. En toch was ze niet één en al zekerheid en vertrouwen. Iets zat haar ernstig dwars, dat kon ik merken. Pas een heel eind verderop in het gesprek was ze in staat er iets over te zeggen. Eén van haar kinderen had de kerk en misschien ook wel het geloof achter zich gelaten en zij maakte zich ernstig zorgen om zijn toekomst. Dat was voor haar een dagelijks weerkerende zorg en een blijvend verdriet. Ik werd er stil van, ik kon me dat zo goed voorstellen. En toch in de stilte na haar ontboezeming groeide er een besef, noem het maar een ingeving. De gedachte kwam voorbij: wie zou er nu meer van haar kind houden, zij of de Here God? We zaten er samen stil over na te denken. Na een tijdje zei ze, heel zeker: God! Getroost gingen we uit elkaar.

Is er zonder geloof een toekomst in het Koninkrijk van God?

Voor een gelovige christen is de redding van de zonden, doordat de Heer Jezus Christus zich voor ons opofferde aan het kruis, essentieel. Zo is ons dat geleerd. Weten dat iets belangrijk is, en begrijpen wat er precies gebeurt is nog niet hetzelfde. Maar het geloof in het belang van het sterven en weer opstaan van de Heer Jezus is ons door de vorige generaties aangereikt; ook via het lezen van de Bijbel. We beschouwen dat als een boodschap van God aan ons persoonlijk. In de gemeenschap van de kerk speelt het leren leven en blijven leven met die boodschap een grote rol.Als de band met de kerk verbroken raakt, vrezen we voor het geloof van onze dierbaren. Soms zeggen ze ons ook dat ze niet meer kunnen geloven. Als we dat van hen horen gaan we ons zorgen maken om hun redding. Is er zonder geloof een toekomst in het Koninkrijk van God?
Het is onze Heer zelf die wijst op de cruciale rol van geloof voor de redding van een mens. Zijn apostelen nemen die boodschap verder mee de wereld over. Onze zorgen lijken dus terecht. Velen zullen het lied Papa van de zanger Stef Bos kennen met daarin de regels:

Ik heb een goddeloos geloof 
En ik hou van elke vrouw
En misschien ben ik geworden 
Wat jij helemaal niet wou 
 
Maar papa, ik lijk steeds meer op jou 
 
en jij gelooft in God, dus jij gaat naar de hemel

en ik geloof in niks dus we komen elkaar, na de dood na de dood,
nooit meer tegen

Die regels raken ons precies daar waar onze diepste zorg ligt: wat is de toekomst van onze dierbaren? En ook: wat is ónze toekomst met hen? Daar kun je ’s nachts van wakker liggen. Is het mogelijk naar een toekomst te verlangen waar zij niet bij zijn?

Karikatuur

“Geloof je?”, vroeg ik haar. “Natuurlijk” zei ze, “ik wil wél in de hemel komen!”. We kennen deze manier van denken allemaal wel: wie gelooft gaat naar de hemel en wie niet naar de hel! Hemel en hel als de twee verschillende bestemmingen van een christen en een niet-christen. Zo zien we ze ook terug op de bekende poster: ‘De brede en de smalle weg’. Een oud beeld dat vermoedelijk al uit 1866 stamt. Het heeft een sterke invloed onder christenen gehad. Iedere persoon staat voor de keuze tussen de weg naar de hemel en die naar de hel. Gods alziend oog is ergens bovenin in de voorstelling op een grote afstand getekend, ver verheven boven deze aarde. De historische achtergrond van deze plaat ligt in het Duitse Piëtisme (Wursten 2021). Vanuit dat gedachtengoed is deze voorstelling wel te begrijpen, maar mij lijkt ze een karikatuur van het evangelie, van onze leefwereld en van ons geloofsleven te zijn.

In de bijbel leren we onze God niet kennen als een God die op afstand toekijkt en afwacht wie de wedloop van het geloof succesvol ten einde brengt en wie niet, maar als een betrokken Vader die de wereld liefheeft en zijn zoon stuurt om de wereld te redden (Joh. 3: 16v). Zijn Geest leeft onder zijn mensen, die stimuleert bovendien allerlei mensen om andere mensen weer aan te sporen op hun geloofsweg. Het is niet Gods bedoeling de mensheid overzichtelijk in twee groepen op te delen en vervolgens te verdelen over hemel en hel. Op deze manier laat men de liefde van God schuilgaan achter zijn oordeel, terwijl omgekeerd het oordeel de uiterste consequentie van zijn liefde is. Bovendien is onze leefwereld niet simpel op te delen in ‘wereldse genoegens’ en ‘een gelovig leven’. Die twee lopen in elkaar over. En ons geloofsleven is geen eenzame wandeling door moeilijk terrein vol gevaar, maar een gemeenschappelijke reis van gelovigen dwars door de wereldsamenleving in navolging van hun Heer naar de toekomst.

De brede en de smalle weg schetsen ons een karikatuur van het evangelie

“God heeft zijn zoon niet naar de wereld gestuurd om een oordeel over haar te vellen, maar om de wereld door Hem te redden” (Joh. 3:17).

Hij heeft alles over voor zijn mensen, in welke situatie ze zich ook bevinden: gelovig of ongelovig, binnen de kerk of binnen de ‘wereld.’ Welke zorgen je ook kunt hebben over een kind dat de kerk verlaat, de houding van God wordt er niet anders van. Zijn hart gaat nog steeds uit naar dat kind en Hij wil het nog altijd redden. Wijzelf zijn kerk midden in de wereld -om de bijbelse metafoor maar te gebruiken- en God de Heer is de heer van de hele wereld en die wereld gaat Hem ook helemaal aan het hart. Verder is ons geloofsleven niet een overzichtelijk uitgezette wandeling langs duidelijk aangegeven richtingaanwijzers, maar een mogelijk kronkelige route die door de gemeenschap van de kerk en door de wereldgemeenschap loopt. Soms begint de route buiten de kerkgemeenschap om daarbinnen uit te komen, soms begint de route binnen de gemeenschap van de kerk, loopt naar buiten en dan weer naar binnen. En zo zijn er wel meer varianten te bedenken.

Verder zijn hemel en hel geen helder omschreven ‘gebieden’ in de bijbel. De hel komt maar weinig voor t.o.v. van de hemel, dat past ook bij de bedoeling van God die zoveel mogelijk mensen wil redden. Uit de boodschap van de Heer Jezus begrijpen we dat het Koninkrijk van God het einddoel is: dat is zoiets als de hemel op aarde als je de profetie uit Openbaring 21 & 22 op je in laat werken.
De hel -wat het dan ook is – is de uiterste consequentie van ongeloof. Sommigen zien het als een definitief beroofd zijn van Gods aanwezigheid. En het oordeel dat daartoe zou leiden ligt bij God en niet bij ons.
 
Als je daarover nadenkt, besef je dat kerkverlaters nog steeds binnen het omgaan van God met de wereld passen; ze zijn niet uit het beeld van God en zouden ook niet uit ons beeld moeten zijn. Wat er veranderd is voor ons t.o.v. van hen zijn onze mogelijkheden en de taak die wij naar hen toe hebben.

De verleiding van het relativeren

Je liefde voor je kinderen kan je ertoe brengen om het belang van persoonlijk geloof af te zwakken. Je mag wijzen op Gods beloften aan je kinderen en op zijn vaderlijke hart. En toch ontslaat hen dat niet van hun eigen verantwoordelijkheid. De Heer verwacht ook geloof van hen.
In de 21e eeuw vinden we de gedachte aan een eeuwige straf maar moeilijk te rijmen met de liefde van God zoals wij die ook leren kennen. De kerkvader Origenes wees al in de 3e eeuw van onze jaartelling op het ‘herstel van alle dingen’, dat wil zeggen dat God het kwaad totaal zal overwinnen. Ook de ongelovigen zullen uiteindelijk via de weg van loutering met God verzoend worden. Een 20-eeuwse theoloog als Philip Edgecombe Hughes bouwt daar weer verder op door (McGrath 1997, 493/4). Hoe goed te begrijpen de nadruk op Gods liefde ook is, alverzoening is toch moeilijk te rijmen met de ernstige oproepen tot geloof en de consequenties die daaraan in de boodschap van de bijbel verbonden worden. Het gesprek hierover is nog lang niet afgelopen en wordt door de situatie in ons seculiere Westen misschien wel weer nieuw leven ingeblazen.
Toch lijkt me dit geen reden om het belang van persoonlijk geloof te relativeren en dan onze kinderen uit de kerk te laten vertrekken met de geruststellende gedachte dat het wel goed komt. Het zou ons zo maar kunnen beletten om voor kerkverlaters te bidden.

Kan het zijn dat een kerkverlater is geheiligd in zijn achtergebleven broeders en zusters?

Priesterlijke taak

Kerkverlaters zijn nog niet verloren, maar hun vertrek draagt niet bij aan hun redding en geeft zorgen, laat ik zo maar samenvatten wat hierboven geschreven staat. Over wat we niet precies kunnen overzien moeten we terughoudend zijn. Maar er valt wel iets te zeggen over de blijvende- maar andere- taak die de gemeente van Christus heeft als het gaat om kerkverlaters.
Zij trekken onze aandacht mee naar wat er direct buiten onze gemeenschappen in onze leefwereld gebeurt en naar de mensen die daar leven. Natuurlijk ligt daar al een taak voor ons, maar de verhoudingen zijn in ons land vaak gestold. Ieder individu zit op zijn eigen levensbeschouwelijke plek en het lijkt of we geen boodschap meer aan elkaar hebben vanuit onze zelfgekozen bubbels. Ieder heeft voor zich een overtuiging. Maar hoe zit het dan met ons allemaal samen? God voelt zich verantwoordelijk voor ons allen: binnen en buiten de kerk, gelovig of niet gelovig en in welke sociale bubbel dan ook! Zijn gemeente is er om daar invulling aan te geven. 
Stefan Paas wijst erop dat: “kerkverlating in een puur geïndividualiseerde levensbeschouwing altijd een tragedie is” (Paas, 2019). Immers God verbindt zich niet allereerst met individuen maar met gemeenschappen en kan zijn heil ook door zulke gemeenschappen heen geven. Als de band met de gemeenschap van de kerk verloren gaat, kan de kerk die nog van haar kant in stand houden. Misschien is actief contact niet gewenst maar dan toch wel aandacht en gebed. Daarvoor is het nodig dat wij de namen van de kerkverlaters in ons midden voor ogen houden. Bovendien ligt er via kerkverlaters soms zomaar een verbinding met hun van huis uit niet-gelovige vrienden en partners.
Paas noemt de rol van de kerk in deze tijd met name priesterlijk, zoals Petrus Gods volk een ‘koninkrijk van priesters noemt’ (1 Pet. 2,9). Als minderheid in de marge heeft de kerk zo een mooie roeping. In de bijbel vind je voorbeelden van de priesterlijke verhouding tot anderen: Job breng als vader offers voor de mogelijke zonden van zijn kinderen, als die weer eens een flink feest hebben gevierd (Job.1), Paulus wijst erop dat de één geheiligd kan zijn in de ander: een man in zijn vrouw, een vrouw in haar man en de kinderen in één van hun ouders (1 Kor. 7:14). Kan het zijn dat een kerkverlater is geheiligd in zijn achtergebleven broeders en zusters? Wat ook precies de gevolgen van dat geheiligd-zijn inhouden, m.i. hebben wij als gemeente nog steeds een priesterlijke taak t.o.v. van hen. En niet alleen naar hen toe.
 
Hoe geef je daar in de praktijk inhoud aan?

Geplaatst in Achtergebleven | Een reactie plaatsen

Heeft de kerk toekomst?

Een paar weken geleden startte de serie ‘House of the Dragon’ op het netwerk HBO.
De opvolger van het roemruchte ‘Game of Thrones’. Er zijn voor een christen heel veel redenen om deze serie (s) niet te gaan zien. De serie is nogal expliciet als het gaat om seks en geweld. Maar meer dan dat schildert het een werkelijkheid die je nu liever niet voor je ziet: intriges, leugens, moord en macht. Toch vermoed ik dat veel christenen deze serie gezien hebben, want ze heeft heel veel raakvlakken met ons menszijn. Als mensen voelen ons aangetrokken tot dit duistere verhaal, zeker omdat het zo spannend verteld wordt dat je graag wilt weten hoe het afloopt. 

Het is eigenlijk het verhaal van een dysfunctionele familie waarin sprake is van machtsspelletjes, jaloezie, arrogantie, verraad, leugen, wraak en zelf (poging tot) moord. In Genesis 37 komen we opnieuw de familie Israël tegen waarvan al deze menselijke trekken sprake is. Deze familie is het begin van Gods volk. Als het er zo voor staat in Gods volk, heeft dat dan eigenlijk wel toekomst? De familie lijkt voor onze ogen uit elkaar te vallen. En als we de lijn doortrekken, komen we ook binnen de kerk nog vaak van dit soort trekjes tegen: mannetjesmakerij, misbruik, wraak, leugens, veroordeling en felle meningsverschillen en uitsluiting Kunnen wij op onze beurt niet ook de vraag stellen: heeft de kerk nog toekomst of kun je daar alleen maar van dromen?

Geplaatst in Preken | Getagged , | Een reactie plaatsen

7. Schuilplaats?

Als iemand in je naaste omgeving de kerk verlaat, kun je daar veel verdriet van hebben. Volgens een oud spreekwoord is ‘gedeelde smart, halve smart’. Is de kerkelijke gemeente in dit geval een schuilplaats voor je? In mijn ervaring moeten kerkleden zo’n verdriet doorgaans alleen dragen. Dat betekent dat het volle gewicht van dit verdriet op hun eigen schouders ligt. Soms voegt de kerkelijke gemeente zelfs nog aan dit verdriet toe.

Photo by Cindy Chen on Unsplash

Ik heb veel vrienden en naaste familie uit de kerk zien vertrekken. Het is me gebleken dat niet alleen hun gevoelens voor de kerk veranderd waren, maar dat de mijne ook mee veranderden. De kerk is niet meer dezelfde vertrouwde plek als vroeger.
Steeds wanneer de kerkgemeente iets te vieren heeft, mis je de jouw bekende vertrekkers bij het feest. Dat maakt het feest voor jou minder intens. Feestelijke gebeurtenissen als een doop, een belijdenis of een kerkelijk huwelijk krijgen een pijnlijk, scherp randje. ‘t Is niet jouw kleinkind, ‘t zijn niet jouw kinderen. Zij laten hun kinderen niet dopen, ze doen zelf geen belijdenis van hun geloof en ze wonen al jaren samen. En als ze zouden trouwen, dan zal er geen kerkdienst zijn.

Natuurlijk gun je het je andere broers en zussen in de kerk graag, maar hun feest raakt aan jouw gemis. Zo in de loop van de jaren kan er een heel bezinksel van verdriet op de bodem van je ziel komen te liggen. Dat reist altijd met je mee en filtert veel van wat je verder nog meemaakt aan vreugde in de gemeente.

Wat kun je zelfs in een volle kerk eenzaam zijn in je verdriet! De meeste mensen om je heen weten er ook niets van, dus kwalijk kun je het hen niet nemen. Maar waarom deel je je verdriet dan niet met hen? Nou ja, onze kerkdiensten geven je die gelegenheid vaak niet, zo zitten die niet in elkaar. De liturgie is gegroepeerd rondom God en de Heer Jezus: in de huidige vorm past jouw verdriet daar niet echt in. Als er dan al ruimte is voor getuigenissen, dan zijn die vaak positief getoonzet: ze gaan over de grote daden van God in het leven van mensen. Daar passen jouw grote zorgen helemaal niet bij.

Het is iets menselijks om je op het positieve te richten: logisch, daar kun je je hart aan ophalen. Als de zorgen wat verder weg liggen in je leven, kun je je dat ook wel permitteren. Helaas niet als de zorgen groot zijn en nu net met alles wat er in de dienst gebeurt te maken hebben. Ondanks alle moois dat er in de dienst klinkt, verlaat je niet zelden ten diepste ongetroost de samenkomst. Je merkt dat het voor jou zelfs reden is om sommige diensten maar uit de weg te gaan (zie H.4).

 Over schrale troost is het al eerder gegaan (H.4). Helaas is er ook zoiets als onbarmhartigheid: bewust en onbewust. De christen en pedagoog Ter Horst beschrijft een studiedag over ‘christelijke opvoeding in deze tijd’ waarop hij er getuige van is van hoe de één de ander vraagt: “En mevrouw de Vries, is het u gelukt om uw kinderen een christelijke opvoeding te geven?” Een wat oudere dame schudde daarop treurig haar hoofd, terwijl een andere triomfantelijk glimlachte.  “Zie zo, die had een punt gescoord”, concludeerde Ter Horst (Van der Kooi & Ter Horst, 2009, p. 13). Hij noemt dat elkaar steken onder water geven. Jezelf laten voorstaan op de -in jouw ogen- geslaagde geloofsopvoeding van je kind om een ander daarmee de maat te nemen is bewuste onbarmhartigheid. Er zijn helaas wel meer voorbeelden van te noemen en ze zijn bijna allemaal ook steken die je medegemeenteleden diep verwonden. Op geen enkele manier is dit te rijmen met de verbondenheid die de apostel Paulus de gemeente van Korinte voorhoudt. Je bent verbonden in vreugde én verdriet (1 Kor. 12:26). Je mag van gemeenteleden onderling verwachten dat ze niet alleen elkaars vreugde met elkaar beleven maar ook elkaars verdriet met elkaar kunnen meevoelen en willen delen. 

we kunnen ook onbewust onbarmhartig met elkaar omgaan


Natuurlijk aan bewuste onbarmhartigheid hoeven we niet veel woorden te besteden, dat is eenvoudigweg ongepast in Gods Koninkrijk. Dat spreekt voor zich. Maar we kunnen ook onbewust onbarmhartig met elkaar omgaan. Door, zoals hierboven, alleen maar ruimte te maken voor positieve ervaringen in de gemeente of door ongevoelig met elkaar om te gaan. Aandacht te vragen voor jouw vreugde, zonder oog te hebben voor het verdriet van de ander, is evenzeer onbarmhartig. Paulus gaat ervan uit dat een christelijke gemeenschap zich ook bewust is en bewust wil zijn van elkaars pijn. Natuurlijk wil dat niet zeggen dat je in de gemeente niet ook blij kunt zijn, maar die blijdschap zal ook altijd in evenwicht moeten zijn met meegevoeld verdriet. Als er geen ruimte is voor het uiten van verdriet -ook in de gemeenschap als geheel- hoe kunnen die broers of zussen in de gemeente dan ooit voor zichzelf de ruimte vinden blij met de anderen te zijn? Ongetroost blij zijn is een enorme opgave.

Bovendien, net zoals een hele gemeente nodig is om de kinderen van de gelovigen groot te brengen in hun geloof, zou je mogen verwachten dat de hele gemeente ook meelijdt vanwege het verdriet als die opvoeding hen niet brengt waar we (toch allemaal!) op hopen. We zijn toch allemaal verantwoordelijk? En die verantwoordelijkheid is niet ineens afgelopen als één van die kinderen zich ver van de gemeenschap verwijdert.

Natuurlijk is de naaste familie het meest direct getroffen. Zij ervaren het gemis van een kind dat uit hun midden voortkomt en waar je dag-in dag-uit mee geleefd hebt, waarmee je eerder alle zondagen in het kerkelijke jaar deelde, het scherpst. Maar al die andere relaties die er -als het goed is- in de gemeente zijn of geweest zijn, voelen het gemis toch ook zou je verwachten. Vanaf hun plaats in de gemeente reageren ze dan ook verdrietig op het vertrek. In de richting van de ouders, in de richting van de andere kinderen en in de richting van God.

Allereerst verdienen de naaste familieleden de troost en de steun van de gehele gemeente

Als de gemeente een familie is, zoals we dat tegenwoordig nog wel eens zeggen (Vergelijk bijv. De Initiatiefgroep Kerk2030, p.11), dan voel je je mede-verantwoordelijk en vraag je jezelf af wat je nu te doen staat. Er is iets mis met ons familiebeleven in de gemeente als we al te snel in berusten in het vertrek van kerkleden (Van Westen, 2019, p.13). Het moet geen taboe zijn om het hier met elkaar over te hebben (p.28), zodat iemand als bijv. Kees Kraayenoord, maar ook de vertrekkers zelf én hun ouders de indruk krijgen dat het de gemeente niets doet.

Allereerst verdienen de naaste familieleden de troost en de steun van de gehele gemeente. Zij vormen immers vaak de voorhoede in het contact met de vertrekkers. Zij hebben troost, gebed en goede raad nodig. Zij staan (als eersten) voor een nieuwe en grote opgave om de verbinding met hun vertrokken dierbaren heel te houden.

Maar ook de vertrekkers zelf mogen iets uit de gehele gemeente verwachten. Je zou denken dat er nog allerlei contacten zijn. Sommige zullen nu verbroken zijn, maar anderen lopen nog steeds door. Ook daarin speelt de hele kerkfamilie een rol.

onze kerkelijke praktijk in ons omgaan met kerkverlaters, lijkt als -neem ik aan onbedoeld- neveneffect te hebben dat zij zo snel mogelijk uit beeld raken

We hebben als protestantse gemeenten nu vaak geen praktijken op dit gebied. Lang waren we niet bekend met het delen van ons persoonlijke ervaringen in een bijeenkomst van de gemeente, behalve dan in een mededeling in het kerkblad en in de vorm van voorbede. De laatste decennia kennen we soms zoiets als een getuigenis, maar vaak alleen als het delen van een positieve geloofservaring. Marijn Vlasblom (2019), voorganger in Ede en docent op het Baptistenseminarium, wees op deze eenzijdigheid op de studiedag ‘Kerkverlating in perspectief’.

Maar onze kerkelijke praktijk in ons omgaan met kerkverlaters, lijkt als -neem ik aan onbedoeld- neveneffect te hebben dat zij zo snel mogelijk uit beeld raken: hun namen staan niet langer in de gemeentegids, we hebben niet nagedacht over de rollen die we nu als gemeente hebben in te nemen en kennen dus geen praktijk op dat gebied en we praten er verder maar niet over. En dat terwijl het aantal kerkverlaters de laatste tien jaar sterk toegenomen is en er dus steeds meer mensen in onze gemeenten mee te maken hebben. Dan zou je toch anders mogen verwachten?

Zijn we ongemerkt al te individueel naar elkaars keuzen gaan kijken als iets dat privé is en los staat van ons samen? Reageren we daarom maar niet? Is ons levensgevoel in de gemeente in de praktijk in feite heel individueel geworden?

Geplaatst in Achtergebleven | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

6. Schakel

Als je elkaar niet meer in de kerk tegenkomt, kun je van elkaar vervreemden. De ene keuze werkt door in allerlei andere keuzen. Daardoor kun je recht tegenover elkaar komen te staan in mening, levensstijl, politieke standpunten e.d. Soms is dat verrijkend, maar het is ook niet zelden pijnlijk. Je begrijpt elkaar niet meer en op dat punt deel je het leven niet langer. Dat kan heel veel van je vragen. Zoveel, dat je de aandrang gaat voelen om elkaar maar uit de weg te gaan. In dit hoofdstuk aandacht voor de blijvende betekenis van verbinding.

George Pagan III on Unsplash

Sommige Joodse families organiseren een begrafenisritueel voor een dochter of zoon die met een ‘goj’, een niet-Jood, is getrouwd. De boodschap is duidelijk: door dit te doen heeft het kind de band met de familie verbroken en nu verbreekt de familie op haar beurt het contact met het kind. Het is voor hen als ‘dood en begraven’ (Peterson, 1994, p. 107).

Je kind doodverklaren omdat het uit de traditie is gestapt. Dat is een huiveringwekkende consequentie die een familie aan de keuze van hun kind kan verbinden. Zo’n oordeel is absoluut en onherroepelijk. Het Nederlands kent de spreuk: ‘zolang er leven is er hoop’. Die had wat mij betreft best in het boek Spreuken mogen staan, omdat ze de uitdrukking is van een heel bijbelse gedachte. Immers: God blijft trouw, zelfs al zijn wij Hem ontrouw (2 Tim. 2:13). Veel kerkdiensten beginnen we met een zegengroet gebaseerd op een bede uit Psalm 138: ‘dat Hij niet loslaat het werk van zijn handen’ (vs. 8). Ja, zolang er leven is mag je hopen. Onze God is niet genadeloos. Door de geschiedenis heen leer je Hem, integendeel, kennen als de God die steeds weer tot genade bereid is.

‘zolang er leven is er hoop’


Toch kan ik me verhalen herinneren dat gezinnen in de gereformeerde traditie zo ongeveer dezelfde consequentie verbonden aan bijvoorbeeld de kerkkeuze van hun kinderen: het contact werd resoluut en absoluut verbroken. Het zegt iets over de ernst waarmee die ouders met het kerklidmaatschap omgaan.
Er zit misschien ook iets van gehoorzaamheid in deze keuze, zegt Jezus zelf niet: “Weigert hij naar de gemeente te luisteren, behandel hem dan zoals je een heiden of een tollenaar behandeld” (Mat. 18:17). In het ‘Formulier voor de openbare kerkelijke tucht’ van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) wordt dat uitgelegd als: “geen nauwe banden te onderhouden of aan te gaan”. Zo staat het ook geformuleerd in andere tuchtformulieren. Ik vraag me af of dit er mee bedoeld is als je bedenkt dat de Heer Jezus voortdurend in de kringen van heidenen en tollenaars te vinden was. Maar Hij bleef in die kringen wel wie Hij was, had het openlijk over goed en kwaad en sprak het gezelschap waarin Hij verbleef daar ook op aan. Op den duur was dat zo algemeen bekend dat alleen zijn aanwezigheid hen al herinnerde aan de normen en waarden van het volk van God. De tollenaar Zacheüs kwam spontaan tot inkeer toen Jezus contact met Hem zocht (Luk 19:18). Daarom, wel contact aangaan maar blijven wie je bent en niet de band met God doorsnijden in je contacten met anderen. Immers de genade van God moet je evenzeer ernstig nemen en weerspiegelen.

Trouwens, verbreken wij als gemeente niet in feite het contact, wanneer we, nadat een lid van de gemeente de kerk verlaten heeft, het laten bij een afkondiging en een mutatie in de ledenlijst en de kwestie dan als afgedaan beschouwen? Als God zijn hand uitgestrekt houdt, mag je dat van ons toch ook verwachten! Ik moet denken aan de vader in de gelijkenis die verlangend uitkijkt naar de terugkeer van zijn zoon, die als hij thuis komt zijn jongste zoon verwelkomt in zijn huis, ’want hij was verloren en is terecht’ (Luk. 15:32) en er bij zijn oudste zoon op aandringt om ook mee te komen feestvieren: “want je broer was dood en is weer tot leven gekomen.”

De schakel met God.

Als ouders en andere familieleden ben je, voor je kinderen die vertrokken zijn, een overgebleven schakel met de kerk. Mogelijk zelfs de laatste schakel die er nog ligt. Misschien ben je zelfs wel de laatste verbinding tussen je kind en God. In dat feit kun je een nieuwe, van je Heer gekregen, taak zien.

…zo mogen we de puber als een gift van God aan de ouders van middelbare leeftijd beschouwen

Zijn we het afwijkende gedrag van kinderen die op gespannen voet met de kerk brengt niet teveel als abnormaal gedrag gaan zien? Immers, de puberteit is toch per definitie slecht aangepast zijn (Peterson, 1994)? Het is in feite de geboorte van een volwassene. De puberteit is de tijd dat we onszelf worden (p. 11). Zonder te willen generaliseren: zijn het toch de jongeren in de puberteit die zich losmaken van hun ouders. Ze beproeven alles wat ze van huis uit hebben meegekregen. In die zin zijn het idealisten en moralisten tegelijk. Met name hun ouders worden geconfronteerd met hun eigen onderwijs of worden de maat genomen met hun eigen normen en waarden (p. 63).

Je zou dit zich losmaken van jongeren en de gevolgen die dat voor hun ouders heeft ook anders kunnen zien. Net zoals we kinderen als een gift van God aan jonge ouders beschouwen, zo mogen we de puber als een gift van God aan de ouders van middelbare leeftijd beschouwen. De puber maakt zich los in onze, volwassen, levens net op het moment dat wij denken dat ons leven nu wel in balans is. Onze idealen hebben we enigszins aangepast aan de praktijk en dikwijls zijn we zelfs een beetje cynisch geworden. De ervaringen hebben ons nu wel geleerd wat je van het leven mag verwachten. Net op dát moment, brengen je eigen pubers je weer uit evenwicht. Tegelijk met de geboorte van de puber als beginnende volwassene, maken de ouders op middelbare leeftijd een wedergeboorte als gelovigen op leeftijd mee (ibid., p.3). In dat licht ziet, wat er gebeurt, er heel anders uit: je bent ruw wakker geschud uit een wellicht wat ingeslapen geloofsleven voor een nieuwe opdracht. Een opdracht waardoor je Heer je zelf ook nog weer wil laten groeien in je eigen geloof.

Dit is een opdracht voor gevorderde gelovigen. Het spreekt niet vanzelf hoe je op je opgroeiende jongeren moet reageren. De invloed van de heersende cultuur op met name jongeren, die als aspirant-volwassenen op weg zijn zich te vestigen in de samenleving, is groot. Kerkgangers, ook de jongeren, zijn de bewoners van verschillende werelden. Vooral voor jongeren die zich nog echt moeten vestigen, is het moeilijk om daarin verantwoorde keuzen te maken (Van der Kooi & Ter Horst, 2009, p. 172). De toekomst dringt bij jongvolwassenen aan alle kanten hun leven binnen. Er zijn veel mogelijkheden om uit te kiezen en deze confrontatie met de toekomst gaat daarom gepaard met een gevoel van hulpeloosheid (Petersen 1994, p. 72). Hen toch ruimte geven om die keuzen te kunnen maken, is daarbij van wezenlijk belang (zie H.1), maar ook om hen daarin te steunen. Kinderen kunnen in dat proces ver van je verwijderd raken en ontzettend de fout ingaan.


Hoe moet je daar dan op reageren? Het is goed bij voorbaat met deze mogelijkheid rekening te houden en daar ook al van tevoren over na te denken. Stel je maar voor wat een gepaste reactie zou kunnen zijn in zo’n geval.
Gedogen lijkt me niet de juiste reactie, daarmee maak je de ruimte te groot en heb je hen niets meer te zeggen. Ouders gaan soms heel ver om het contact met hun kinderen niet te verliezen. Je ziet soms zelfs dat ze blinde volgelingen van hun kinderen worden (Van der Kooi & Ter Horst, 2009, p. 38). Maar daarmee is het geloof per definitie opgehouden te bestaan als gespreksonderwerp. Als geloven nog iets voor je zelf betekent heb je dan nog wel contact, maar heb je de hoop feitelijki al opgegeven. Kan God je in dat contact nog gebruiken?
Daartegenover is hard en onherroepelijk veroordelen ook zonder hoop. Het contact houdt ook dan op te bestaan. Je oordeel komt veel te vroeg, immers: zolang er leven is, is er hoop.

‘er is een hele gemeente nodig om een kind van gelovigen op te voeden’.

Er moet ruimte voor vergeving blijven bij je. Niet als het precieze midden tussen gedogen en veroordelen maar in een zoektocht om te begrijpen wat God door ons heen voor hen wil doen in Jezus Christus (Petersen, 1994, p. 107).

Dit genuanceerde en voorzichtige reageren is niet eenvoudig. In dit soort situaties is je emotie van schrik en ontzetting er vaak eerder dan wijs beraad. Ja, dit is echt geloven voor gevorderden. In dat proces je waardigheid als opvoeder te bewaren, je emotie zonder stemverheffing te laten zien (Peterson, 1994, p. 40), in staat te zijn ook dan het gesprek aan te gaan, vraagt volwassenheid in Christus (Efe. 4). En ook de daadwerkelijke steun van je broeders en zusters in Christus. ‘It takes a whole village to raise a child’ is naar verluid een spreekwoord van Afrikaanse herkomst: ‘er is een heel dorp voor nodig om je kind op te voeden’. Naar analogie daarvan zou je voor de kinderen van gelovigen kunnen zeggen: ‘er is een hele gemeente nodig om een kind van gelovigen op te voeden’.

Contact?

Helemaal moeilijk wordt het wanneer je kind zegt: ‘Als je er nu nog een keer over begint, kom ik niet meer thuis!’ Vaak zijn daar al heel wat ongemakkelijke momenten aan vooraf gegaan. Je praat wel met elkaar, maar je bereikt elkaar niet. Intussen ontstaat er een hoop irritatie: jouw drive botst op de onwil en het ongemak van je kind.
Het is belangrijk om verbinding te houden. Maar als die band er niet meer in het geloof is, dan moet je echt op zoek naar een ander onderwerp. Een thema dat niet zo belast is. Iets dat je met elkaar deelt, dat verbinding geeft. Wie weet, dat je via dit thema uiteindelijk toch weer aan de praat raakt over geloven.
En als je niet meer over je geloof kunt praten, laat dan maar zíen wat God in je leven doet; daar zijn niet altijd woorden voor nodig  (Bijl, 2018, p. 15). Jouw aanwezigheid herinnert hen op deze manier zonder woorden aan God. Je blijft de schakel met God en het is m.i. ook je taak om die verbinding heel te houden. Soms kun je alleen nog bidden. Hoewel, alléén?

Moeilijk is dat wel. Het zal nogal eens voorkomen dat van jou gevraagd wordt je grenzen te verleggen. Helemaal als je ongewild getuige wordt van een levensstijl waar je liever helemaal niets van had geweten. Daar kun je je heel akelig bij voelen en de verleiding kan groot zijn om je dan maar terug te trekken of om maar niet op een uitnodiging in te gaan, dan hoef je het allemaal niet te mee te maken. Misschien kun je dat een keer doen, omdat je ergens echt niet aan mee kunt doen, omdat je op deze manier voor God , jezelf en je kind ongeloofwaardig zou worden. Maar je kunt het je denk ik meestal niet verantwoorden je definitief terug te trekken uit de relatie. Jij bent de schakel, wat er ook gebeurt! Meer dan dat: je bent blijvend in liefde verbonden. Dat is niet alleen een emotie, maar ook je opdracht. Dat betekent dat je door je terug te trekken uit het contact de verkeerde boodschap afgeeft.

Dat kan enorm veel spanning geven. Hoe houd je dit in Gods naam vol?

Geplaatst in Achtergebleven | Een reactie plaatsen