Filippenzen 3, 16 (11e gebod)

Vroeger klonken elke zondag steevast de Tien Geboden aan het begin van de morgendienst.
Dat was zo vanzelfsprekend dat er dominees waren die ze nogal afraffelden en wij in de kerk lang niet altijd meer luisterden. Vandaar dat later de lezing van de Tien Geboden ook wel werd afgewisseld met andere teksten. Bij ons heet dat gedeelte van de dienst: ‘Het Woord voor onderweg’.
Dat betekent vanzelfsprekend niet dat de geboden onder ons uitgediend zijn. Vandaar dat ze in het afgelopen jaar opnieuw de aandacht kregen in de prekenserie over deze geboden in een samenwerkingsproject samen met de predikant van de Petrakerk in Harderwijk: ds. Paul Waterval. Uit die serie werd al wel duidelijk dat de deze geboden niet alleen meer in hun betekenis van de oudtestamentische wereld lezen, maar dat ze gelezen worden in de verpakking van het onderwijs van de Heer Jezus, zoals Hij de geboden uitlegt in bijvoorbeeld De Bergrede. De Heer Jezus brengt tot dan toe onvermoede diepten van de geboden aan de oppervlakte.
Maar de vraag komt nu wel op: ‘welke rol hebben die geboden nú in óns geloofsleven?’ In de preek die de serie afsluit deze zondag houd ik me daarmee bezig. Daarbij maak ik gebruik van een gedachtengang van de apostel Paulus in zijn brief aan de gemeente van Filippi (3. 1-16) waarin hij hen beschrijft wat hij voor zichzelf als winst en wat hij als verlies beschouwt. Dat vertelt veel over de plaats die de geboden onder ons kunnen innemen. Ik hoop jullie zondag te ontmoeten.