
In de zomer van 2025, tijdens mijn studieverlof, ben ik op zoek gegaan naar wie we zijn als christenen in de Nederlandse Gereformeerde kerken. Die zoektocht kwam voort uit een heel persoonlijke vraag: wie ben ik eigenlijk, in deze kerk, in deze samenleving? Ik vroeg me af wie wij als gemeenteleden voor elkaar zijn, wat ons bindt, maar ook wat ons soms uit elkaar drijft. Wat is nu typisch Nederlands Gereformeerd aan ons? Tegelijkertijd vroeg ik me af: welke invloeden spelen er eigenlijk onder ons? Waar liggen onze sterke punten, en waarin zijn we juist kwetsbaar? Het zijn grote vragen die in vijf weken natuurlijk onmogelijk te beantwoorden zijn. Toch hoop ik in deze periode een aantal aanzetten te kunnen ontwaren, die een scherper beeld geven van onze identiteit als christenen in de Nederlandse Gereformeerde kerken– en misschien ook van mijzelf.
Ik wil beginnen met mijn eigen ervaring van het kerkelijke klimaat dat op de achtergrond meespeelt. Wat stuurde destijds mijn beleving van bijv. het avondmaal en breder: mijn beleving van mijn plaats in het geheel van de gemeente en de kerk?
Het is allereerst goed om op te merken dat in de jaren 70 van de vorige eeuw het geheel van de kerk in mijn beleving kwam vóór ‘wat ik ervan vond’.
Er was een kerk, die werd in onze gemeente beleefd als vaststaand, georganiseerd rondom bepaalde gedachtengangen die algemeen instemming kregen en rondom bepaalde regels die algemeen gevolgd werden. In mijn beleving was er sprake van grote eensgezindheid.
Dat had ook te maken met mijn positie in het leven toen. Ik was een kind en moest nog volwassen worden. Daarbij was niet van belang wat ik er zelf van dacht, maar zoals het hoorde te zijn volgens de volwassenen. Dat was toen het opvoedingsklimaat en voor mij het uitgangspunt van het denken en beleven.
Ik leefde ook in een wereld die vrijwel helemaal rond het kerkgenootschap, waarbij wij toen hoorden, was gegroepeerd. De school waarop ik zat, ging uit van een schoolvereniging die exclusief uit leden van ons kerkgenootschap bestond, de docenten op school waren ook allemaal lid van dat kerkgenootschap evenals de leerlingen op school. Bij hoge uitzondering werd daarvan afgeweken. Mijn leven speelde zich daarom ook door de week af binnen het kerkgenootschap. Op school kregen wij als het om het geloof en de kerk ging, dezelfde boodschap -misschien een nog wel wat strengere opvatting ervan mee, als thuis en in de kerk. Later toen we het middelbaar onderwijs bezochten, werd dat nog sterker. Ook toen ging ik naar een school die uitging van ons kerkgenootschap met dus dezelfde uitgangspunten, als het ging om het bestuur, de docenten en de leerlingen. Maar daar kwam nu ook de catechese bij, de lessen die door de dominee van onze kerk werden gegeven als geloofsopvoeding aan de jongeren van onze kerk. Iedereen moest toen naar de catechisatie, zoals dat toen heette. Je moest eenvoudig van je ouders en dat werd ook in de gemeente van ons en van hen verwacht. Catechisatie kwam vóór al je andere verplichtingen: huiswerk, sport of muzieklessen e.d.
Je zou kunnen zeggen, dat er voor ons niet echt een alternatief was. Onze wereld was exclusief vrijgemaakt en een andere keuze werd ons niet aangeboden. En die was er dan ook niet, denk ik, in onze beleving. Tenminste, eerst niet.
Dat klimaat van grote eensgezindheid, speelde ook op het niveau van de volwassenen een rol. Of dit allemaal ook persoonlijk zo beleefd werd, is de vraag, maar het deed zich, naar buiten toe, wel zo voor. Sowieso was het kerkelijke gesprek zo georganiseerd dat er enkele landelijke smaakmakers en opinieleiders waren die zoveel invloed hadden dat hun standpunt in allerlei kwesties al snel hét standpunt binnen het hele kerkgenootschap was. Zij werden daarbij geholpen door hun eigen media: er was een dagblad dat door de meeste gezinnen gelezen werd, naast enkele kerkelijke bladen die ook als wenselijk werden beschouwd voor de leden van ons kerkgenootschap. We hadden een ’eigen’ politieke partij en allerlei ‘eigen’ maatschappelijke organisaties die gerund werden door leden van het ‘eigen’ kerkgenootschap. De kerk van mijn jeugd was vrijwel in alle opzichten een zelfstandige zuil in Nederland.
Leven in een zuil maakte dat ik een andere jeugd had dan veel andere jongeren in ons land -en zelfs dan die in ons dorp- toentertijd. Ik ging bijv. naar een streekschool in een naburig dorp en niet naar de dorpsschool. We leefden als het ware in onze eigen bubbel en wat daarbuiten gebeurde had niet zoveel invloed op ons (dachten we), tenminste maar matig. De opkomst van een massamedium als de TV zorgde wel voor nieuwe en andere invloeden.
In de kerk van mijn jeugd was de verwachting vanzelfsprekend dat de kerkleden de standpunten die landelijk waren ingenomen over allerlei kwesties in het geloof en in de kerk, zouden overnemen. Van de jongere leden van de kerk werd verwacht dat zij naar deze, algemeen geaccepteerde, opvattingen zouden toegroeien. Dat was de normale gang van zaken.
Er was een sterk ‘wij-zij’ gevoel. En dat betekende toch wel dat er met een zeker wantrouwen naar de ’buitenwereld’ werd gekeken. Zelfs buitengewoon vijandig naar sommige andere kerkgenootschappen. Achteraf gezegd had dat had vaak te maken met ervaringen uit het verleden. Contacten en vriendschappen, laat staan liefdesrelaties buiten de eigen kring, werden niet aangemoedigd, ja zelfs afgekeurd. We leefden in een eigen wereld en zo hoorde het ook.
Natuurlijk lag het voor verschillende kerkleden, waaronder mijn ouders, allemaal wat genuanceerder. De soep wordt nu eenmaal niet altijd zo heet gegeten als ze wordt opgediend. Maar niet de nuance maar de norm bepaalde het kerkelijke klimaat.
In de jaren zestig voltrok zich een breuk binnen ons kerkgenootschap. Misschien wel juist op dit punt. Er waren namelijk kerkleden die zich niet zo exclusief wilden opstellen als het de praktijk was geworden binnen onze kerken. En toen zij dat en plein publiek tot een gesprekspunt proberen te maken, leidde dit uiteindelijk tot een breuk. Er ontstond een ander kerkgenootschap naast het onze en op welke wijze een jongere daar opgroeide kan ik niet uit ervaring zeggen. Maar ik denk dat binnen deze Nederlands Gereformeerde Kerk een wantrouwen tegen al te collectieve gedachtengangen en opvattingen was gegroeid. En dat heeft dan weer tot gevolg dat er waarschijnlijk een grotere variatie aan opvattingen was binnen deze afsplitsing van de vrijgemaakte stam.
En nu dan…?
Ja, en dan, hoe is het klimaat nu, vijftig jaar later, nadat de kerken opnieuw gefuseerd zijn? Wat hebben we achtergelaten in het verleden en wat nemen we mee naar de toekomst? Daar is m.i. niet zo bewust over nagedacht. Als ik nu om me heen kijk dan valt mij op dat een grote variatie aan opvattingen tegenwoordig gewoon is. Ook is er een en behoorlijke variatie in levenspraktijk te zien. Sommigen zijn van mening dat er een grasduincultuur gegroeid is. De meeste leden van onze geloofsgemeenschap oriënteren zich persoonlijk, zelfstandig op hun geloof. Ze kiezen daarbij voor diverse bronnen, net waar men een voorkeur voor heeft. Daarbij is de bijbel altijd nog wel centraal, maar niet meer zo bekend als eerder. Belijdenisgeschriften spelen in de afwegingen. in mijn ervaring athans, geen grote rol.
Ja en dan zijn de bronnen veelvuldig. Als ik alleen al naar onze gemeenschap kijk, dan zijn er mensen die zich bijvoorbeeld laten inspireren door de charismatische beweging New Wine. Binnen die beweging is er een sterke nadruk op het werk van de Geest, volgens de interpretatie van New Wine: dat wil zeggen een sterke nadruk op het ministry-gebed (dat is een profetische vorm van gebed), en allerlei andere bijzondere geestelijke gaven als tongentaal en de gave van genezing bijvoorbeeld. Die opvattingen worden met een grote vanzelfsprekendheid de gemeente binnengebracht en daar gepraktiseerd.
Verder is er wat betreft de kerkelijke muziek een groeiende aandacht voor eigentijdse worshipmuziek. Die op aanbidding gerichte muziek (een heel andere vorm van eredienst) komt nu naast de andere, vaak oudere vormen, van eredienst voor.
De psalmen van Genève en de liederen uit het Liedboek spelen daar weer een grotere rol. De inkeer en verstilling uit die liedcultuur schuurt aan tegen- en botst soms met- de veel uitbundiger aanbiddingsmuziek, die op geloofsexpressie is gericht. Een botsing van liedculturen die zich voortdurend voordoet in onze gemeenschap en regelmatig aanleiding is voor een stevige discussies.
Voor beide is wat te zeggen, maar wat mij vaak opvalt is dat ook deze variatie zich nu vaak op het praktische vlak voordoet, zonder dat de achtergrond hiervan bewust besproken of verwerkt wordt.
Verder denk ik dat er veel meer invloed is van vanuit de massamedia en ook via de sociale media. Die invloed is er sowieso en ook heel breed van karakter. Wat er in het medialandschap speelt, is ook van invloed op wat er binnen onze kerken speelt.
Eén van de omroepen die een sterke invloed heeft gekregen binnen onze kerken is de EO (Evangelische Omroep). Wat er daar speelt, speelt ook al gauw binnen onze kerkgenootschap. En dan zijn er allerlei apps afkomstig uit vele christelijke achtergronden, via welke kerkleden zich laten informeren.
Bovendien is er nu het nieuwe kerkgenootschap: de Nederlandse Gereformeerde Kerken, de fusiekerk. In hoeverre wat daar landelijk speelt -op het niveau van het kerkverband- nog plaatselijk invloed heeft valt te bezien. Hier en daar zal dat wel zo zijn. Maar feit is ook dat wat er landelijk speelt, plaatselijk veel minder invloed heeft dan vijftig jaar geleden; alleen al omdat men de ontwikkelingen daar niet meer zo volgt. Niet exclusief althans. Als het al bekend is wat er landelijk speelt, is het één van de standpunten geworden waaruit een gemeente(lid) kan kiezen.
Als ik kijk naar het onderwijs aan de kinderen van onze gemeente, dan is daar ook een grote variatie in te zien. Over het algemeen gaan de kinderen naar christelijke scholen, maar wel naar algemeen christelijke scholen, d.w.z. niet exclusief gebonden aan een bepaald kerkgenootschap. In ons geval zijn dat ook verschillende scholen, afhankelijk van de plaats waar ze staan. We zijn nl. een streekgemeente en onze leerlingen bezoeken ook scholen uit de hele streek. Zoals wij vroeger, dezelfde scholen deelden en elkaar ook van die scholen kenden -zelfs regionaal- is dat nu meestal niet meer het geval.
De catechisatie bestaat niet meer bij ons, die is vervangen door clubs, vooral geleid door gemeenteleden waaronder de dominee. Het bezoeken van clubs is gewenst, maar toch een eigen keuze. Anders dan vroeger ziet men dit meer als een service die de kerkelijke gemeente biedt en waar men gebruik van kan maken. Een deel van onze jongeren neemt, hoewel ze uitgenodigd zijn, niet deel aan de clubs.
Als ik dit allemaal samenvat, leven we nu in een gemeenschap waarin sterk gevarieerde opvattingen leven over christen zijn. Ook over hoe we kerk zijn, of zouden moeten zijn. En over hoe de kerkdiensten beleefd worden en gewenst zijn. Kortom, het wordt soms een vraag wat wij eigenlijk gemeenschappelijk hebben? En nu de invloed van Bijbelstudie afgenomen is, is het de vraag of we elkaar nog kunnen vinden op veel terreinen in ons geloven. Ik heb de indruk dat het in het algemeen minder om geloofsopvattingen (daarmee bedoel ik geloofsinhouden) is gaan draaien en meer om persoonlijke sympathieën. De redenen om lid te zijn van een bepaalde kerk of een bepaalde gemeente, lijken tegenwoordig ook meer te maken te hebben met persoonlijke voorkeur en het klimaat binnen een gemeente dan met de inhoud van de boodschap.
Dat maakt een gemeente tot een veelkleurig gezelschap. Zeker als men in overweging neemt, dat verhuizen van het ene kerkgenootschap naar het andere een stuk gebruikelijker is geworden. In onze gemeente komen kerkleden overal vandaan kun je wel zeggen en vertrekken ze ook weer overal naartoe. Of nergens heen, die trend wordt helaas ook bij ons zichtbaar, zeker na de Corona-periode.
In vergelijking met eerder is het beeld totaal veranderd en wordt het een vraag hoe wij inhoud kunnen geven aan wat ons gemeenschappelijk bindt. We zullen allemaal zeggen dat Jezus Christus centraal staat in ons geloven, maar wat we daar mee bedoelen ligt veel gevarieerder, verwacht ik.
De vraag is: hoe kun wij ons hiervan op een vruchtbare wijze van bewustworden en over in gesprek komen?