
Zondag vieren we het Avondmaal.
Al is dat nog altijd iets bijzonders,
toch zijn we dit inmiddels wel gewend.
Brood en wijn zijn ook echt brood en wijn.
Het brood komt van de bakker.
De wijn uit de winkel.
Het brood is zorgvuldig gesneden door de kosters.
Met een elektrisch mes
in kaarsrechte stroken.
Hoe goed die hun best ook doen, het droogt altijd een beetje uit.
Op de zondagmorgen proef je ook gewoon een stukje, droog brood.
Je moet -hoe klein het stukje ook is-
haast een beetje kauwen om het door te kunnen slikken.
En dat is het bijzondere teken van Jezus’ lichaam.
Maar het smaakt als gewoon brood.
Kun je het wonder ervan nog meemaken?
En de wijn, nou ja,
is ook gewone wijn.
Voor de wijnliefhebbers niet erg lekkere wijn,
voor de niet-wijndrinkers gelukkig een beetje zoet.
Het is maar één slokje wijn.
Op de vroege morgen,
door de alcohol
zelfs een beetje fel in de keel.
De tranen springen je soms spontaan in de ogen.
En als het druivensap is, is dat ene slokje,
onverwacht een beetje zuur.
Je krijgt geen tijd om er aan te wennen.
En dat is het bijzonder teken van Jezus’ bloed.
Maar ’t smaakt heel gewoon.
Komt het wonder ervan voor jou in mee?
Wat is het wonder van dit gewone?